BWBR0007214
Geldig vanaf 2000-05-10
Artikel 3
Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen
1. Onverminderd het tweede lid, wordt een gewasbeschermingsmiddel slechts toegelaten indien het middel voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 5 tot en met 7agestelde regels, waarbij voor de toepassing van die regels wordt uitgegaan van het gebruik van het middel overeenkomstig de gebruiksvoorschriften.
2. Indien:
a. het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dringend vereist is en voor het gebruik uit landbouwkundig of volksgezondheidsoogpunt geen geschikt alternatief bestaat in de vorm van een ander gewasbeschermingsmiddel dan wel een mechanische of biologische methode, die hetzelfde doeleinde en een vergelijkbare deugdelijkheid heeft en waarvan met redelijke zekerheid kan worden aangenomen dat deze aanmerkelijk minder risico's heeft voor de kwaliteit van het milieu, of
b. het niet toelaten van het gewasbeschermingsmiddel leidt tot aanzienlijke verslechtering van de arbeidsomstandigheden, wordt het gewasbeschermingsmiddel toegelaten indien wordt voldaan aan de normen, bedoeld in artikel 8, waarbij voor de toepassing van die normen wordt uitgegaan van het gebruik van het middel overeenkomstig de gebruiksvoorschriften.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen voor de toepassing van het tweede lid nadere regels worden gesteld.
2. Indien:
a. het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dringend vereist is en voor het gebruik uit landbouwkundig of volksgezondheidsoogpunt geen geschikt alternatief bestaat in de vorm van een ander gewasbeschermingsmiddel dan wel een mechanische of biologische methode, die hetzelfde doeleinde en een vergelijkbare deugdelijkheid heeft en waarvan met redelijke zekerheid kan worden aangenomen dat deze aanmerkelijk minder risico's heeft voor de kwaliteit van het milieu, of
b. het niet toelaten van het gewasbeschermingsmiddel leidt tot aanzienlijke verslechtering van de arbeidsomstandigheden, wordt het gewasbeschermingsmiddel toegelaten indien wordt voldaan aan de normen, bedoeld in artikel 8, waarbij voor de toepassing van die normen wordt uitgegaan van het gebruik van het middel overeenkomstig de gebruiksvoorschriften.
3. Bij regeling van Onze Minister kunnen voor de toepassing van het tweede lid nadere regels worden gesteld.