BWBR0007020
Geldig vanaf 1995-01-01
Artikel 13
Besluit rijonderricht motorrijtuigen
1. De verplichting tot het afleggen van een toets, bedoeld in artikel 21, derde lid, en artikel 23, vierde lid, van de wet, wordt aan een houder van een certificaat opgelegd indien:
a. bij het besluit, bedoeld in artikel 21, derde lid, van de wet, dat geen onderzoek is vereist, blijkt dat betrokkene niet voldoet aan de in artikel 6, onder A, B of C, van dit besluit gestelde eisen van bekwaamheid;
b. uit de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 23 van de wet, blijkt dat betrokkene niet voldoet aan de in artikel 6, onder A, B of C, van dit besluit gestelde eisen van bekwaamheid.
2. Bij het opleggen van de verplichting tot het afleggen van een toets geeft Onze Minister aan op welk onderdeel of welke onderdelen van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 6, de toets betrekking dient te hebben.
a. bij het besluit, bedoeld in artikel 21, derde lid, van de wet, dat geen onderzoek is vereist, blijkt dat betrokkene niet voldoet aan de in artikel 6, onder A, B of C, van dit besluit gestelde eisen van bekwaamheid;
b. uit de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 23 van de wet, blijkt dat betrokkene niet voldoet aan de in artikel 6, onder A, B of C, van dit besluit gestelde eisen van bekwaamheid.
2. Bij het opleggen van de verplichting tot het afleggen van een toets geeft Onze Minister aan op welk onderdeel of welke onderdelen van de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 6, de toets betrekking dient te hebben.