De eisen van bekwaamheid tot het geven van rijonderricht, bedoeld in
artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de wet, luiden als volgt:
A. Kennis van verkeer, verkeerswetgeving en vakbekwaamheidseisen: 1. kennis van de voorschriften van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, van de Wegenverkeerswet 1994, van de Regeling voertuigen, van het Reglement rijbewijzen, van het Kentekenreglement en van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, inzicht in de achtergrond van het RVV 1990 en de Wegenverkeerswet 1994, alsmede enige kennis omtrent het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en het Wetboek van strafvordering voor zover van belang voor het wegverkeer;
1a. kennis van de vakbekwaamheidseisen als bedoeld in de ingevolge hoofdstuk VIIA van de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;
2. inzicht in het oplossen van verkeersopgaven;
3. kennis van en inzicht in verkeersrisico's en adequaat handelen indien zodanige omstandigheden zich voordoen;
4. kennis van en inzicht in het gedrag en te verwachten gedrag van andere weggebruikers;
5. kennis van en inzicht in de problematiek van de mobiliteit en verkeersdoorstroming;
6. kennis van en inzicht in de invloed van het gemotoriseerd verkeer op het milieu;
7. kennis van en inzicht in de werking van het motorrijtuig voor zover rechtstreeks van belang voor de instructie van de bediening van het voertuig, alsmede kennis van en inzicht in het belang van voertuigonderhoud voor de veiligheid en het milieu;
8. kennis van en inzicht inzake adequaat optreden bij verkeersongevallen;
1. kennis van de voorschriften van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, van de Wegenverkeerswet 1994, van de Regeling voertuigen, van het Reglement rijbewijzen, van het Kentekenreglement en van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993, inzicht in de achtergrond van het RVV 1990 en de Wegenverkeerswet 1994, alsmede enige kennis omtrent het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer, de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en het Wetboek van strafvordering voor zover van belang voor het wegverkeer;
1a. kennis van de vakbekwaamheidseisen als bedoeld in de ingevolge hoofdstuk VIIA van de Wegenverkeerswet 1994 aangewezen richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;
2. inzicht in het oplossen van verkeersopgaven;
3. kennis van en inzicht in verkeersrisico's en adequaat handelen indien zodanige omstandigheden zich voordoen;
4. kennis van en inzicht in het gedrag en te verwachten gedrag van andere weggebruikers;
5. kennis van en inzicht in de problematiek van de mobiliteit en verkeersdoorstroming;
6. kennis van en inzicht in de invloed van het gemotoriseerd verkeer op het milieu;
7. kennis van en inzicht in de werking van het motorrijtuig voor zover rechtstreeks van belang voor de instructie van de bediening van het voertuig, alsmede kennis van en inzicht in het belang van voertuigonderhoud voor de veiligheid en het milieu;
8. kennis van en inzicht inzake adequaat optreden bij verkeersongevallen;
B. Rijvaardigheid en voertuigbeheersing: 9. vaardigheid in het onder alle omstandigheden bedienen van het voertuig, met inbegrip van handelen bij storing van het voertuig;
10. vaardigheid in het onder alle omstandigheden goed en bewust aan het verkeer deelnemen, met inbegrip van het oplossen van verkeersopgaven alsmede het tijdig onderkennen van risico's en het verantwoord reageren daarop;
C. Onderwijsdeskundigheid:
11. kennis en beheersing van algemene instructie- en begeleidingsprincipes;
12. kennis van en inzicht in voor de rijopleiding relevante verschillen tussen leerlingen, alsmede de wijze waarop de opleiding daarop moet worden gericht;
13. kennis en inzicht inzake de beoordeling van de vaardigheid van leerlingen;
14. kennis van onderwijskundige hulpmiddelen en inzicht in de juiste toepassing daarvan;
15. vaardigheid in het geven van theorieles;
16. vaardigheid in het geven van praktijkles;
17. vaardigheid in het corrigerend optreden tijdens de praktijkles;
18. vaardigheid in het aanpassen van de opleiding aan individuele leerlingen;
19. vaardigheid in het beoordelen van leerlingen;
20. vaardigheid in het toepassen van onderwijskundige hulpmiddelen.
9. vaardigheid in het onder alle omstandigheden bedienen van het voertuig, met inbegrip van handelen bij storing van het voertuig;
10. vaardigheid in het onder alle omstandigheden goed en bewust aan het verkeer deelnemen, met inbegrip van het oplossen van verkeersopgaven alsmede het tijdig onderkennen van risico's en het verantwoord reageren daarop;
C. Onderwijsdeskundigheid:
11. kennis en beheersing van algemene instructie- en begeleidingsprincipes;
12. kennis van en inzicht in voor de rijopleiding relevante verschillen tussen leerlingen, alsmede de wijze waarop de opleiding daarop moet worden gericht;
13. kennis en inzicht inzake de beoordeling van de vaardigheid van leerlingen;
14. kennis van onderwijskundige hulpmiddelen en inzicht in de juiste toepassing daarvan;
15. vaardigheid in het geven van theorieles;
16. vaardigheid in het geven van praktijkles;
17. vaardigheid in het corrigerend optreden tijdens de praktijkles;
18. vaardigheid in het aanpassen van de opleiding aan individuele leerlingen;
19. vaardigheid in het beoordelen van leerlingen;
20. vaardigheid in het toepassen van onderwijskundige hulpmiddelen.