BWBR0006792
Geldig vanaf 1994-07-18
Artikel 3:
Regeling risicobeoordeling nieuwe stoffen Wet milieugevaarlijke stoffen
1.1 Bij de karakterisering wordt uitgegaan van elk van de krachtens artikel 5, eerste lid, in beschouwing genomen toxische eigenschap afzonderlijk.
1.2 Bij de karakterisering wordt tevens de evaluatie van de blootstelling per groep personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, afzonderlijk in beschouwing genomen.
1.3 Indien daarvoor goede redenen zijn, kan in afwijking van punt 1.1 worden uitgegaan van meerdere van de voor de betrokken stof omschreven toxische eigenschappen tegelijk.
1.4 Indien daarvoor goede redenen zijn, kunnen in afwijking van punt 1.2 meerdere van de blootgestelde groepen integraal in beschouwing worden genomen.
2.1 Indien de daartoe benodigde gegevens voorhanden zijn, wordt de verhouding berekend tussen het overeenkomstig deel B, onderdeel 1, vastgestelde niveau waarbij geen ongewenst effect als gevolg van een toxische eigenschap van een stof meer optreedt (NOAEL) dan wel van de laagste dosis of concentratie waarbij zo'n ongewenst effect nog is waargenomen (LOAEL), en de ingevolge deel B, onderdeel 2, punt 2.1, vastgestelde kwantitatieve schatting van de blootstelling.
2.2 Indien slechts een kwalitatieve schatting van de blootstelling beschikbaar is, wordt de verhouding tussen het NOAEL- dan wel het LOAEL-niveau en die kwalitatieve schatting vastgesteld.
2.3 Indien noch het NOAEL-, noch het LOAEL-niveau, volgens deel B, onderdeel 1, is vastgesteld, bevat de karakterisering van het risico anderszins een zo goed mogelijk onderbouwde beoordeling van de kans dat een ongewenst effect zich kan voordoen.
2.4 Bij de onderbouwing, bedoeld in punt 2.3, wordt in ieder geval rekening gehouden met elk aangetoond verband tussen de dosis/concentratie en het ongewenste effect, dan wel met de uitkomsten van onderzoek waarbij de toxische eigenschappen van een stof slechts zijn vastgesteld voor één dosis/concentratie van die stof.
1.2 Bij de karakterisering wordt tevens de evaluatie van de blootstelling per groep personen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, afzonderlijk in beschouwing genomen.
1.3 Indien daarvoor goede redenen zijn, kan in afwijking van punt 1.1 worden uitgegaan van meerdere van de voor de betrokken stof omschreven toxische eigenschappen tegelijk.
1.4 Indien daarvoor goede redenen zijn, kunnen in afwijking van punt 1.2 meerdere van de blootgestelde groepen integraal in beschouwing worden genomen.
2.1 Indien de daartoe benodigde gegevens voorhanden zijn, wordt de verhouding berekend tussen het overeenkomstig deel B, onderdeel 1, vastgestelde niveau waarbij geen ongewenst effect als gevolg van een toxische eigenschap van een stof meer optreedt (NOAEL) dan wel van de laagste dosis of concentratie waarbij zo'n ongewenst effect nog is waargenomen (LOAEL), en de ingevolge deel B, onderdeel 2, punt 2.1, vastgestelde kwantitatieve schatting van de blootstelling.
2.2 Indien slechts een kwalitatieve schatting van de blootstelling beschikbaar is, wordt de verhouding tussen het NOAEL- dan wel het LOAEL-niveau en die kwalitatieve schatting vastgesteld.
2.3 Indien noch het NOAEL-, noch het LOAEL-niveau, volgens deel B, onderdeel 1, is vastgesteld, bevat de karakterisering van het risico anderszins een zo goed mogelijk onderbouwde beoordeling van de kans dat een ongewenst effect zich kan voordoen.
2.4 Bij de onderbouwing, bedoeld in punt 2.3, wordt in ieder geval rekening gehouden met elk aangetoond verband tussen de dosis/concentratie en het ongewenste effect, dan wel met de uitkomsten van onderzoek waarbij de toxische eigenschappen van een stof slechts zijn vastgesteld voor één dosis/concentratie van die stof.