BWBR0006705
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 10a
Welzijnswet 1994
1. Onze Minister kan aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van beleid op het terrein van maatschappelijke opvang, vrouwenopvang daaronder niet begrepen, en op het terrein van verslavingsbeleid.
2. Onze Minister kan aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van beleid op het terrein van vrouwenopvang.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van:
a. het bedrag van de uitkering dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
b. de aanvraag van een uitkering en de besluitvorming daarover;
c. de vaststelling van de uitkering;
d. de intrekking of wijziging van de beschikking tot verlening en vaststelling van de uitkering;
e. de betaling, de terugvordering van de uitkering alsmede het verlenen van voorschotten op de uitkering.
In de maatregel kan het stellen van nadere regels aan Onze Minister worden opgedragen.
4. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waaraan een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verstrekt en die daartoe financiële middelen verstrekt aan instellingen, draagt er zorg voor dat die instellingen overeenkomstig door Onze Minister bij ministeriële regeling te stellen regels hun werkzaamheden registreren en de geregistreerde gegevens verstrekken aan een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling.
5. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waaraan een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verstrekt, werkt mee aan door Onze Minister ingestelde onderzoeken, gericht op het verkrijgen van inzicht in het beleid van gemeentebesturen inzake maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.
6. De voordracht voor een krachtens het eerste, tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd en sedert die overlegging vier weken zijn verstreken.
2. Onze Minister kan aan bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gemeenten een specifieke uitkering verstrekken ten behoeve van beleid op het terrein van vrouwenopvang.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ten aanzien van:
a. het bedrag van de uitkering dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
b. de aanvraag van een uitkering en de besluitvorming daarover;
c. de vaststelling van de uitkering;
d. de intrekking of wijziging van de beschikking tot verlening en vaststelling van de uitkering;
e. de betaling, de terugvordering van de uitkering alsmede het verlenen van voorschotten op de uitkering.
In de maatregel kan het stellen van nadere regels aan Onze Minister worden opgedragen.
4. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waaraan een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verstrekt en die daartoe financiële middelen verstrekt aan instellingen, draagt er zorg voor dat die instellingen overeenkomstig door Onze Minister bij ministeriële regeling te stellen regels hun werkzaamheden registreren en de geregistreerde gegevens verstrekken aan een door Onze Minister daartoe aangewezen instelling.
5. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente waaraan een uitkering als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt verstrekt, werkt mee aan door Onze Minister ingestelde onderzoeken, gericht op het verkrijgen van inzicht in het beleid van gemeentebesturen inzake maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingsbeleid overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels.
6. De voordracht voor een krachtens het eerste, tweede en derde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd en sedert die overlegging vier weken zijn verstreken.