BWBR0006646
Geldig vanaf 2005-08-31
Artikel 6
Spaarloonregeling rechterlijke ambtenaren
1. De rechterlijk ambtenaar kan het op zijn spaarloonrekening gestorte spaarbedragen, ook indien toepassing is gegeven aan artikel 4, tweede lid, pas opnemen nadat het tenminste vier jaar op de spaarloonrekening heeft gestaan.
2. In afwijking van het eerste lid kan het spaarbedrag eerder worden opgenomen voor zover het wordt aangewend:
a. ter zake van de verwerving van een tot hoofdverblijf dienende eigen woning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling, of
b. ter voldoening van premies verschuldigd ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een lijfrente of een kapitaalsuitkering is verzekerd, mits voldaan wordt aan de voorwaarde van artikel 16, tweede lid, juncto artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling.
3. Voor het opnemen van spaarbedragen als bedoeld in het tweede lid is de schriftelijke machtiging van de Minister nodig.
4. De rechterlijk ambtenaar kan vrij beschikken over de door de financiële instelling vergoede rente over de spaarbedragen.
2. In afwijking van het eerste lid kan het spaarbedrag eerder worden opgenomen voor zover het wordt aangewend:
a. ter zake van de verwerving van een tot hoofdverblijf dienende eigen woning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling, of
b. ter voldoening van premies verschuldigd ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een lijfrente of een kapitaalsuitkering is verzekerd, mits voldaan wordt aan de voorwaarde van artikel 16, tweede lid, juncto artikel 8, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling.
3. Voor het opnemen van spaarbedragen als bedoeld in het tweede lid is de schriftelijke machtiging van de Minister nodig.
4. De rechterlijk ambtenaar kan vrij beschikken over de door de financiële instelling vergoede rente over de spaarbedragen.