BWBR0006646
Geldig vanaf 2005-08-31
Artikel 3
Spaarloonregeling rechterlijke ambtenaren
1. De aanvraag wordt eens per jaar gedaan met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het in de bijlagebij deze regeling opgenomen model.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een schriftelijke verklaring van de financiële instelling waarbij de rechterlijk ambtenaar een spaarloonrekening heeft geopend dan wel een in artikel 2bedoelde verzekering heeft afgesloten, uit welke verklaring blijkt:
a. dat de instelling ten aanzien van de spaarloonrekening zal handelen overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en de Uitvoeringsregeling;
b. dat de instelling, indien het spaarbedrag wordt gestort op een spaarloonrekening, de Minister direct na afloop van elk kalenderjaar een schriftelijke opgave zal verstrekken waaruit het verloop van diens spaartegoed blijkt, voor zoveel het betreft het spaarloon en de op het tegoed gekweekte inkomsten over de periode waarin het spaarloon ingevolge deze regeling niet ter beschikking van de ambtenaar komt;
c. dat de instelling, bij opneming van spaargelden als bedoeld in artikel 7, tweede lid, de alsdan in te houden bedragen in verband met loonheffing, alsmede de premies ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Ziektewet, danwel hetgeen daarmee overeenkomt, volgens opgave van de Minister aan hem zal doen toekomen.
2. De aanvraag gaat vergezeld van een schriftelijke verklaring van de financiële instelling waarbij de rechterlijk ambtenaar een spaarloonrekening heeft geopend dan wel een in artikel 2bedoelde verzekering heeft afgesloten, uit welke verklaring blijkt:
a. dat de instelling ten aanzien van de spaarloonrekening zal handelen overeenkomstig de bepalingen van deze regeling en de Uitvoeringsregeling;
b. dat de instelling, indien het spaarbedrag wordt gestort op een spaarloonrekening, de Minister direct na afloop van elk kalenderjaar een schriftelijke opgave zal verstrekken waaruit het verloop van diens spaartegoed blijkt, voor zoveel het betreft het spaarloon en de op het tegoed gekweekte inkomsten over de periode waarin het spaarloon ingevolge deze regeling niet ter beschikking van de ambtenaar komt;
c. dat de instelling, bij opneming van spaargelden als bedoeld in artikel 7, tweede lid, de alsdan in te houden bedragen in verband met loonheffing, alsmede de premies ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet en de Ziektewet, danwel hetgeen daarmee overeenkomt, volgens opgave van de Minister aan hem zal doen toekomen.