BWBR0006617
Geldig vanaf 1994-05-04
Artikel 4
Wet tot instelling van het Internationaal Tribunaal voor vervolging van personen aansprakelijk voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië 1991
1. Tot het in behandeling nemen van verzoeken van het Tribunaal tot overlevering is de rechtbank Den Haag bij uitsluiting bevoegd.
2. De artikelen 21tot en met 27en 28, eerste lid, van de Uitleveringswetzijn van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van artikel 22awordt in plaats van «officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam» gelezen: de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag.
3. Bevindt de rechtbank die over de vatbaarheid voor inwilliging van het verzoek van het Tribunaal moet oordelen hetzij dat ten aanzien van de aan haar voorgeleide persoon niet kan worden vastgesteld dat deze degene is wiens overlevering is gevraagd, hetzij dat de overlevering is gevraagd terzake van strafbare feiten waarvan het Tribunaal ingevolge zijn Statuut kennelijk niet bevoegd is kennis te nemen, dan verklaart zij bij haar uitspraak de overlevering ontoelaatbaar.
4. In andere dan de in het derde lid voorziene gevallen verklaart de rechtbank bij haar uitspraak de overlevering toelaatbaar. De uitspraak is dadelijk uitvoerbaar.
5. De artikelen 29, 30, eerste volzin, en tweede lid, 32, 33, eerste en tweede lid, 36, 41 tot en met 47– met uitzondering van de verwijzing in artikel 47, derde lid, naar artikel 552d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering– en 52 tot en met 60 van de Uitleveringswetzijn van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van artikel 41, vijfde lid, tweede volzin, van de Uitleveringswet wordt in plaats van «officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam» gelezen: de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag.
2. De artikelen 21tot en met 27en 28, eerste lid, van de Uitleveringswetzijn van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van artikel 22awordt in plaats van «officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam» gelezen: de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag.
3. Bevindt de rechtbank die over de vatbaarheid voor inwilliging van het verzoek van het Tribunaal moet oordelen hetzij dat ten aanzien van de aan haar voorgeleide persoon niet kan worden vastgesteld dat deze degene is wiens overlevering is gevraagd, hetzij dat de overlevering is gevraagd terzake van strafbare feiten waarvan het Tribunaal ingevolge zijn Statuut kennelijk niet bevoegd is kennis te nemen, dan verklaart zij bij haar uitspraak de overlevering ontoelaatbaar.
4. In andere dan de in het derde lid voorziene gevallen verklaart de rechtbank bij haar uitspraak de overlevering toelaatbaar. De uitspraak is dadelijk uitvoerbaar.
5. De artikelen 29, 30, eerste volzin, en tweede lid, 32, 33, eerste en tweede lid, 36, 41 tot en met 47– met uitzondering van de verwijzing in artikel 47, derde lid, naar artikel 552d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering– en 52 tot en met 60 van de Uitleveringswetzijn van overeenkomstige toepassing. Voor de toepassing van artikel 41, vijfde lid, tweede volzin, van de Uitleveringswet wordt in plaats van «officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam» gelezen: de officier van justitie bij het arrondissementsparket Den Haag.