BWBR0002559
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 41
Uitleveringswet
1. De voortvluchtige wiens voorlopige aanhouding of uitlevering vanwege een andere staat is verzocht, kan - uiterlijk op de dag voorafgaande aan die welke overeenkomstig artikel 24is bepaald voor zijn verhoor door de rechtbank - verklaren dat hij instemt met onmiddellijke uitlevering.
2. Voorzover bij verdrag niet anders is bepaald, kan een verklaring overeenkomstig het vorige lid alleen worden afgelegd ten overstaan van een rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken.
3. De rechter-commissaris is bevoegd de identiteit van de voortvluchtige vast te stellen op de wijze, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/27a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>. <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/29c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 29c, tweede lid, van dat wetboek</a>is van overeenkomstige toepassing.
4. De voortvluchtige kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een raadsman. Hierop wordt, zo hij zonder raadsman verschijnt, zijn aandacht gevestigd door de autoriteit bevoegd tot het in ontvangst nemen van de verklaring.
5. Voordat hij de verklaring aflegt, wordt de voortvluchtige op de mogelijke gevolgen daarvan opmerkzaam gemaakt. Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien ten aanzien van de voortvluchtige toepassing is gegeven aan artikel 16a, tweede lid, of artikel 22a, tweede lid, vindt toezending steeds plaats aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam.
6. De autoriteit ten overstaan van wie de verklaring is afgelegd, zendt het proces-verbaal daarvan aan de officier van justitie die krachtens deze wet bij het verzoek tot voorlopige aanhouding, dan wel het verzoek tot uitlevering is betrokken.
2. Voorzover bij verdrag niet anders is bepaald, kan een verklaring overeenkomstig het vorige lid alleen worden afgelegd ten overstaan van een rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken.
3. De rechter-commissaris is bevoegd de identiteit van de voortvluchtige vast te stellen op de wijze, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/27a" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>. <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/29c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 29c, tweede lid, van dat wetboek</a>is van overeenkomstige toepassing.
4. De voortvluchtige kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een raadsman. Hierop wordt, zo hij zonder raadsman verschijnt, zijn aandacht gevestigd door de autoriteit bevoegd tot het in ontvangst nemen van de verklaring.
5. Voordat hij de verklaring aflegt, wordt de voortvluchtige op de mogelijke gevolgen daarvan opmerkzaam gemaakt. Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt. Indien ten aanzien van de voortvluchtige toepassing is gegeven aan artikel 16a, tweede lid, of artikel 22a, tweede lid, vindt toezending steeds plaats aan de officier van justitie bij het arrondissementsparket te Amsterdam.
6. De autoriteit ten overstaan van wie de verklaring is afgelegd, zendt het proces-verbaal daarvan aan de officier van justitie die krachtens deze wet bij het verzoek tot voorlopige aanhouding, dan wel het verzoek tot uitlevering is betrokken.