BWBR0006312
Geldig vanaf 1993-12-24
Artikel 9
Besluit berekeningswijze deelnamesommen
1. Een verzoek om vaststelling van een bedrag in verband met verevening kan bij Onze Minister worden ingediend:
a. indien een instelling rente heeft gederfd als gevolg van de door Onze Minister in 1991 afgekondigde verplichtingenstop, ter zake van de door het instellingsbestuur bekostigde bijdrage voor een bouwproject, waarvan de aanvang van de uitvoering overeenkomstig het Intentioneel Investeringsschema 1991 was voorzien vóór 31 december 1993,
b. indien de huisvestingslasten van een instelling de overeenkomstig de laatste volzin van het derde lid vastgestelde huisvestingslastenvergoeding met meer dan 2% per jaar overschrijden.
2. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid onder a, wordt het bedrag vastgesteld op 9% rente van de door het instellingsbestuur verleende bijdrage tot een maximum van de door het Rijk te verlenen bijdrage overeenkomstig het Intentioneel Investeringsschema 1991, gedurende de duur van de derving, gerekend vanaf 1 juni 1991, doch uiterlijk tot en met 31 december 1993.
3. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid onder b, is het bedrag gelijk aan het geheel van de overschrijding boven de 2% van de huisvestingslasten ten opzichte van de huisvestingslastenvergoeding, gedurende de eerste drie jaren, gerekend vanaf 1 januari 1994, respectievelijk drievierde, de helft en een kwart van de overschrijding die uitgaat boven de 2% in het vierde, vijfde en zesde jaar. De huisvestingslasten van een instelling bedragen:
a. de gemiddelde jaarlijkse rente- en aflossingslasten ten gevolge van het totaal van de bruto-deelnamesommen, voor de instelling vastgesteld overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6, daaronder niet begrepen de vermindering van het leenbedrag, bedoeld in artikel 5, derde lid, en verminderd met het bedrag of de bedragen, bedoeld in artikel 8, zomede
b. de kosten voor huur of erfpacht, waarvoor door Onze Minister toestemming is verleend.
De huisvestingslastenvergoeding wordt vastgesteld op basis van bij ministeriële regeling vastgestelde regels met betrekking tot de ruimtebehoefte van de instellingen en op basis van de het aantal aan de instellingen ingeschreven studenten op 15 september 1991.
4. Het totaal van de bedragen die op grond van het tweede en derde lid worden vastgesteld ten behoeve van instellingen die door Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen worden bekostigd, wordt in mindering gebracht op de 170 miljoen gulden die voor verevening vanwege Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen beschikbaar zijn. Het resterende saldo is in zijn geheel beschikbaar voor de verevening op grond van artikel 10, met dien verstande dat het saldo in het begrotingsjaar 1993 ten hoogste 120 miljoen gulden bedraagt.
a. indien een instelling rente heeft gederfd als gevolg van de door Onze Minister in 1991 afgekondigde verplichtingenstop, ter zake van de door het instellingsbestuur bekostigde bijdrage voor een bouwproject, waarvan de aanvang van de uitvoering overeenkomstig het Intentioneel Investeringsschema 1991 was voorzien vóór 31 december 1993,
b. indien de huisvestingslasten van een instelling de overeenkomstig de laatste volzin van het derde lid vastgestelde huisvestingslastenvergoeding met meer dan 2% per jaar overschrijden.
2. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid onder a, wordt het bedrag vastgesteld op 9% rente van de door het instellingsbestuur verleende bijdrage tot een maximum van de door het Rijk te verlenen bijdrage overeenkomstig het Intentioneel Investeringsschema 1991, gedurende de duur van de derving, gerekend vanaf 1 juni 1991, doch uiterlijk tot en met 31 december 1993.
3. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid onder b, is het bedrag gelijk aan het geheel van de overschrijding boven de 2% van de huisvestingslasten ten opzichte van de huisvestingslastenvergoeding, gedurende de eerste drie jaren, gerekend vanaf 1 januari 1994, respectievelijk drievierde, de helft en een kwart van de overschrijding die uitgaat boven de 2% in het vierde, vijfde en zesde jaar. De huisvestingslasten van een instelling bedragen:
a. de gemiddelde jaarlijkse rente- en aflossingslasten ten gevolge van het totaal van de bruto-deelnamesommen, voor de instelling vastgesteld overeenkomstig de artikelen 3 tot en met 6, daaronder niet begrepen de vermindering van het leenbedrag, bedoeld in artikel 5, derde lid, en verminderd met het bedrag of de bedragen, bedoeld in artikel 8, zomede
b. de kosten voor huur of erfpacht, waarvoor door Onze Minister toestemming is verleend.
De huisvestingslastenvergoeding wordt vastgesteld op basis van bij ministeriële regeling vastgestelde regels met betrekking tot de ruimtebehoefte van de instellingen en op basis van de het aantal aan de instellingen ingeschreven studenten op 15 september 1991.
4. Het totaal van de bedragen die op grond van het tweede en derde lid worden vastgesteld ten behoeve van instellingen die door Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen worden bekostigd, wordt in mindering gebracht op de 170 miljoen gulden die voor verevening vanwege Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen beschikbaar zijn. Het resterende saldo is in zijn geheel beschikbaar voor de verevening op grond van artikel 10, met dien verstande dat het saldo in het begrotingsjaar 1993 ten hoogste 120 miljoen gulden bedraagt.