BWBR0006312
Geldig vanaf 1993-12-24
Artikel 10
Besluit berekeningswijze deelnamesommen
1. Tevens kan voor het gebouw waarvan het gebruik niet zal worden beëindigd ten gevolge van de oplevering van een bouwproject als bedoeld in artikel 8, tweede lid, een verzoek om vaststelling van een bedrag in verband met verevening bij Onze Minister worden ingediend:
a. indien het gebouw van een instelling overeenkomstig het laatstelijk voor 15 februari 1993 door het instellingsbestuur vastgestelde huisvestingsplan, dan wel een daarmee gelijk te stellen besluit, niet is gevestigd op een concentratielokatie van een instelling, zodanig dat het gebouw niet is gevestigd binnen een straal van 500 meter vanaf het midden van het terrein dat als concentratielokatie wordt beschouwd, of
b. indien het gebouw van een instelling op 15 februari 1993 is gebruikt ten behoeve van de opleiding die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, en is gevestigd buiten de gemeente van vestiging, of
c. indien het gebouw van een instelling wordt gerenoveerd of verbouwd voor 31 december 1999 overeenkomstig de door Onze Minister in 1988 vastgestelde taakverdeling en concentratie van opleidingen en de renovatie of verbouwing door het instellingsbestuur uit eigen middelen wordt betaald en de renovatie of verbouwing tot aantoonbaar ruimtelijke gevolgen leidt, of
d. indien het gebouw van een instelling op 15 februari 1993 is gevestigd buiten de gemeente van vestiging of indien een instelling een gebouw of een deel daarvan huurt of least of in gebruik heeft, dat met toestemming van Onze Minister is gevestigd buiten de gemeente van vestiging, of
e. indien een instelling een gebouw huurt of least, dat overeenkomstig het laatstelijk voor 15 februari 1993 door het instellingsbestuur vastgestelde huisvestingsplan niet gevestigd is op een concentratielokatie van een instelling, zodanig dat dat gebouw niet gevestigd is binnen een straal van vijfhonderd meter vanaf het midden van het terrein dat als concentratielokatie wordt beschouwd, waarbij in de gevallen, bedoeld onder a tot en met c, voor het desbetreffende gebouw van de instelling telkens geldt dat het aantal resterende jaren van de afschrijvingstermijn, bedoeld in artikel 3, groter is dan nul en kleiner is dan dertig.
2. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt voor het gebouw de gewogen oppervlaktewaarde vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in het derde tot en vijfde lid.
3. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder a, bof c, wordt voor ieder gebouw de gewogen oppervlaktewaarde vastgesteld door sommering van de uitkomsten van de drie navolgende formules:
a. G * functioneel netto m² van het gebouw, waarbij G voorstelt de restleeftijdsfactor van het gebouw, die wordt ontleend aan de Bijlage bij dit besluit;
b. T * functioneel netto m² van het gebouw, waarbij T voorstelt de stadsgroottefactor die ziet op de omvang van de gemeente van vestiging van de instelling of de buurgemeente, indien deze een grotere omvang heeft, uitgedrukt in aantallen inwoners; deze factor bedraagt: - 0,0 in een gemeente met minder dan 100 000 inwoners,
- 0,1 in een gemeente met 100 000 tot 200 000 inwoners,
- 0,2 in een gemeente met 200 000 tot 300 000 inwoners en
- 0,3 in een gemeente met meer dan 300 000 inwoners;
- 0,0 in een gemeente met minder dan 100 000 inwoners,
- 0,1 in een gemeente met 100 000 tot 200 000 inwoners,
- 0,2 in een gemeente met 200 000 tot 300 000 inwoners en
- 0,3 in een gemeente met meer dan 300 000 inwoners;
c. (T + 1) * S * functioneel netto m² van het gebouw,
waarbij aan T dezelfde betekenis toekomt als aangegeven onder ben S voorstelt de spreidingsfactor, die betrekking heeft op gebouwen van de instelling als bedoeld in het eerste lid onder atot en met cen waarvan de waarde wordt ontleend aan de Bijlage bij dit besluit.
4. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid onder dwordt de gewogen oppervlaktewaarde van het gebouw of een deel daarvan vastgesteld door sommering van de uitkomsten van de twee navolgende formules:
a. T * functioneel netto m² van het gebouw, aan welke formule dezelfde betekenis toekomt als is aangegeven in het derde lid onder b;
b. (T + 1) * S * functioneel netto m² van het gebouw,
aan welke formule dezelfde betekenis toekomt als is aangegeven in het derde lid onder c,
met dien verstande dat - in afwijking van het derde lid - voor de toepassing van dit lid het aantal functioneel netto m² van het gebouw of een deel daarvan wordt vastgesteld op basis van bij ministeriële regeling vastgestelde regels met betrekking tot de ruimtebehoefte van hogescholen en het aantal studenten dat is ingeschreven voor een opleiding die wordt verzorgd in het gebouw op 15 september 1992, op een zodanige wijze dat het aantal deeltijdse studenten als voltijdse wordt meegeteld.
5. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid onder ewordt de gewogen oppervlaktewaarde van het gebouw of een deel daarvan vastgesteld door de uitkomst van de navolgende formule:
(T + 1) * S * 0,2 * functioneel netto m² van het gebouw,
aan welke formule dezelfde betekenis toekomt als is aangegeven in het derde lid onder c, onverminderd de vermenigvuldigingsfactor 0,2.
6. Voor ieder gebouw van een instelling die wordt bekostigd door Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, en waarvoor een aanvraag is ingediend, die voldoet aan het eerste lid, bestaat aanspraak op de vaststelling van een bedrag ten laste van het saldo, bedoeld in artikel 9, vierde lid, naar rato van de gewogen oppervlaktewaarde, vastgesteld overeenkomstig het tweede tot en met vijfde lid.
7. Voor ieder gebouw van een instelling die wordt bekostigd door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en waarvoor een aanvraag is ingediend, die voldoet aan het eerste lid, bestaat aanspraak op de vaststelling van een bedrag dat per netto functioneel m² gewogen oppervlaktewaarde overeenstemt met de bedragen die telkens worden vastgesteld op grond van het zesde lid.
a. indien het gebouw van een instelling overeenkomstig het laatstelijk voor 15 februari 1993 door het instellingsbestuur vastgestelde huisvestingsplan, dan wel een daarmee gelijk te stellen besluit, niet is gevestigd op een concentratielokatie van een instelling, zodanig dat het gebouw niet is gevestigd binnen een straal van 500 meter vanaf het midden van het terrein dat als concentratielokatie wordt beschouwd, of
b. indien het gebouw van een instelling op 15 februari 1993 is gebruikt ten behoeve van de opleiding die voorbereidt op het beroep van leraar basisonderwijs, en is gevestigd buiten de gemeente van vestiging, of
c. indien het gebouw van een instelling wordt gerenoveerd of verbouwd voor 31 december 1999 overeenkomstig de door Onze Minister in 1988 vastgestelde taakverdeling en concentratie van opleidingen en de renovatie of verbouwing door het instellingsbestuur uit eigen middelen wordt betaald en de renovatie of verbouwing tot aantoonbaar ruimtelijke gevolgen leidt, of
d. indien het gebouw van een instelling op 15 februari 1993 is gevestigd buiten de gemeente van vestiging of indien een instelling een gebouw of een deel daarvan huurt of least of in gebruik heeft, dat met toestemming van Onze Minister is gevestigd buiten de gemeente van vestiging, of
e. indien een instelling een gebouw huurt of least, dat overeenkomstig het laatstelijk voor 15 februari 1993 door het instellingsbestuur vastgestelde huisvestingsplan niet gevestigd is op een concentratielokatie van een instelling, zodanig dat dat gebouw niet gevestigd is binnen een straal van vijfhonderd meter vanaf het midden van het terrein dat als concentratielokatie wordt beschouwd, waarbij in de gevallen, bedoeld onder a tot en met c, voor het desbetreffende gebouw van de instelling telkens geldt dat het aantal resterende jaren van de afschrijvingstermijn, bedoeld in artikel 3, groter is dan nul en kleiner is dan dertig.
2. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt voor het gebouw de gewogen oppervlaktewaarde vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in het derde tot en vijfde lid.
3. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, onder a, bof c, wordt voor ieder gebouw de gewogen oppervlaktewaarde vastgesteld door sommering van de uitkomsten van de drie navolgende formules:
a. G * functioneel netto m² van het gebouw, waarbij G voorstelt de restleeftijdsfactor van het gebouw, die wordt ontleend aan de Bijlage bij dit besluit;
b. T * functioneel netto m² van het gebouw, waarbij T voorstelt de stadsgroottefactor die ziet op de omvang van de gemeente van vestiging van de instelling of de buurgemeente, indien deze een grotere omvang heeft, uitgedrukt in aantallen inwoners; deze factor bedraagt: - 0,0 in een gemeente met minder dan 100 000 inwoners,
- 0,1 in een gemeente met 100 000 tot 200 000 inwoners,
- 0,2 in een gemeente met 200 000 tot 300 000 inwoners en
- 0,3 in een gemeente met meer dan 300 000 inwoners;
- 0,0 in een gemeente met minder dan 100 000 inwoners,
- 0,1 in een gemeente met 100 000 tot 200 000 inwoners,
- 0,2 in een gemeente met 200 000 tot 300 000 inwoners en
- 0,3 in een gemeente met meer dan 300 000 inwoners;
c. (T + 1) * S * functioneel netto m² van het gebouw,
waarbij aan T dezelfde betekenis toekomt als aangegeven onder ben S voorstelt de spreidingsfactor, die betrekking heeft op gebouwen van de instelling als bedoeld in het eerste lid onder atot en met cen waarvan de waarde wordt ontleend aan de Bijlage bij dit besluit.
4. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid onder dwordt de gewogen oppervlaktewaarde van het gebouw of een deel daarvan vastgesteld door sommering van de uitkomsten van de twee navolgende formules:
a. T * functioneel netto m² van het gebouw, aan welke formule dezelfde betekenis toekomt als is aangegeven in het derde lid onder b;
b. (T + 1) * S * functioneel netto m² van het gebouw,
aan welke formule dezelfde betekenis toekomt als is aangegeven in het derde lid onder c,
met dien verstande dat - in afwijking van het derde lid - voor de toepassing van dit lid het aantal functioneel netto m² van het gebouw of een deel daarvan wordt vastgesteld op basis van bij ministeriële regeling vastgestelde regels met betrekking tot de ruimtebehoefte van hogescholen en het aantal studenten dat is ingeschreven voor een opleiding die wordt verzorgd in het gebouw op 15 september 1992, op een zodanige wijze dat het aantal deeltijdse studenten als voltijdse wordt meegeteld.
5. In het geval van een verzoek als bedoeld in het eerste lid onder ewordt de gewogen oppervlaktewaarde van het gebouw of een deel daarvan vastgesteld door de uitkomst van de navolgende formule:
(T + 1) * S * 0,2 * functioneel netto m² van het gebouw,
aan welke formule dezelfde betekenis toekomt als is aangegeven in het derde lid onder c, onverminderd de vermenigvuldigingsfactor 0,2.
6. Voor ieder gebouw van een instelling die wordt bekostigd door Onze Minister van Onderwijs en Wetenschappen, en waarvoor een aanvraag is ingediend, die voldoet aan het eerste lid, bestaat aanspraak op de vaststelling van een bedrag ten laste van het saldo, bedoeld in artikel 9, vierde lid, naar rato van de gewogen oppervlaktewaarde, vastgesteld overeenkomstig het tweede tot en met vijfde lid.
7. Voor ieder gebouw van een instelling die wordt bekostigd door Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en waarvoor een aanvraag is ingediend, die voldoet aan het eerste lid, bestaat aanspraak op de vaststelling van een bedrag dat per netto functioneel m² gewogen oppervlaktewaarde overeenstemt met de bedragen die telkens worden vastgesteld op grond van het zesde lid.