BWBR0006305
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 22
Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen
1. Ingeval het spaarloon door de werknemer of zijn erfgenamen is opgenomen bij beëindiging van de dienstbetrekking van de werknemer, daaronder begrepen het overlijden van de werknemer, wordt voor elke volle maand gedurende welke het spaarloon is opgenomen binnen de in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964genoemde termijn, of binnen de in de spaarloonregeling overeengekomen termijn een evenredig deel van het spaarloon aangemerkt als loon verstrekt door de werkgever, niet zijnde spaarloon.
2. Spaarloon waarover door een werknemer in strijd met een spaarloonregeling wordt beschikt, wordt aangemerkt als loon verstrekt door de werkgever, niet zijnde spaarloon.
3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde loon wordt geacht te zijn genoten ten tijde van het beschikken.
2. Spaarloon waarover door een werknemer in strijd met een spaarloonregeling wordt beschikt, wordt aangemerkt als loon verstrekt door de werkgever, niet zijnde spaarloon.
3. Het in het eerste en tweede lid bedoelde loon wordt geacht te zijn genoten ten tijde van het beschikken.