1. In afwijking van artikel 19mag de werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken ter voldoening van:
a. door de werknemer te betalen premies, andere dan bijdragen ingevolge een pensioenregeling, welke verschuldigd zijn ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een lijfrente als bedoeld in artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b, en artikel 3.125, eerste lid, onderdelen a en c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 3.126 van de Wet inkomstenbelasting 2001, mits de polis deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de termijnen voor de lijfrente, behoudens in geval van overlijden, niet eerder kunnen ingaan dan in het vijfde jaar nadat de premies zijn voldaan;
b. premies, andere dan bijdragen ingevolge een pensioenregeling, welke verschuldigd zijn ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een kapitaalsuitkering bij in leven zijn is verzekerd, en de voldane premies voor bij dezelfde overeenkomst overeengekomen vrijstelling van premiebetaling bij invaliditeit, ziekte of ongeval, mits de polis deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001;
c. door de werknemer vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling.
2. De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde overeenkomst van levensverzekering moet:
a. een levensverzekering als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht zijn, die is afgesloten bij een levensverzekeraar als bedoeld in dat artikel;
b. door de werknemer of zijn partner in de zin van artikel 1.2, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zijn gesloten op het leven van de werknemer, diens partner in de zin van artikel 1.2, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of kinderen voor wie de werknemer, of zijn partner in de zin van artikel 1.2, van de Wet inkomstenbelasting 2001 op 1 januari van het jaar waarin de premie is voldaan recht had op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet of die zelf recht hadden op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering;
c. voor zover het tijdstip van de uitkering niet wordt bepaald door het overlijden van de verzekerde, voorzien in een looptijd van ten minste vier jaren.
3. Voor de toepassing van dit artikel worden mede aangemerkt als ingevolge een overeenkomst van levensverzekering verschuldigde premies: regelmatige inleggingen bij een instelling als bedoeld in artikel 15, tweede lid, waartoe de werknemer of zijn partner in de zin van
artikel 1.2, van de Wet inkomstenbelasting 2001, zich ingevolge een overeenkomst tot sparen met levensverzekering heeft verplicht. Het eerste lid, onderdeel b, en het tweede lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Rechtstreekse betalingen door de werkgever van premies als bedoeld in het eerste lid en van inleggingen voor een spaarovereenkomst als bedoeld in het derde lid, mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in de aanhef van het eerste lid.
5. Bedragen die worden ingehouden op het loon als vrijwillig te betalen premies ingevolge een pensioenregeling mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met bestedingen ten laste van de spaarloonrekening.
6. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op naar een spaarrekening eigen woning, bedoeld in
artikel 3.116a van de Wet inkomstenbelasting 2001, of een lijfrentespaarrekening, bedoeld in
artikel 3.126a van die wet, overgemaakte bedragen alsmede op naar een beheerder van een beleggingsrecht eigen woning, bedoeld in artikel 3.116a van die wet, of een lijfrentebeleggingsrecht, bedoeld in artikel 3.126a van die wet, overgemaakte bedragen ter verkrijging van rechten van deelneming.