BWBR0006305
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 19e
Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen
1. In afwijking van artikel 19mag de werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken:
a. ter zake van de kosten van het volgen van een opleiding of studie door de werknemer, met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning, met uitzondering van kosten: 1°. die verband houden met een werk of studeerruimte, daaronder begrepen de inrichting;
2°. van binnenlandse reizen voor zover de kosten meer bedragen dan het bedrag dat wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964;
1°. die verband houden met een werk of studeerruimte, daaronder begrepen de inrichting;
2°. van binnenlandse reizen voor zover de kosten meer bedragen dan het bedrag dat wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964;
b. ter zake van cursussen, congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke gevolgd door de werknemer ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking;
c. ter zake van de kosten van het volgen van een procedure erkenning verworven competenties waarvoor een verklaring is afgegeven door een in of krachtens artikel 40a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 aangewezen instantie.
2. Rechtstreekse betalingen door de werkgever, als bedoeld in het eerste lid mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.
a. ter zake van de kosten van het volgen van een opleiding of studie door de werknemer, met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning, met uitzondering van kosten: 1°. die verband houden met een werk of studeerruimte, daaronder begrepen de inrichting;
2°. van binnenlandse reizen voor zover de kosten meer bedragen dan het bedrag dat wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964;
1°. die verband houden met een werk of studeerruimte, daaronder begrepen de inrichting;
2°. van binnenlandse reizen voor zover de kosten meer bedragen dan het bedrag dat wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van artikel 31a, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964;
b. ter zake van cursussen, congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke gevolgd door de werknemer ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking;
c. ter zake van de kosten van het volgen van een procedure erkenning verworven competenties waarvoor een verklaring is afgegeven door een in of krachtens artikel 40a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 aangewezen instantie.
2. Rechtstreekse betalingen door de werkgever, als bedoeld in het eerste lid mogen voor de toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.