BWBR0006305
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 19c
Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen
1. In afwijking van artikel 19mag de werknemer mede over het tegoed van zijn spaarloonrekening beschikken binnen zes maanden na de start van activiteiten uit welke de werknemer vermoedelijk, als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001zal gaan genieten. De periode van zes maanden wordt verlengd met de periode welke ligt tussen het moment waarop door de werknemer een beschikking als bedoeld in het tweede lid wordt aangevraagd en het moment waarop die beschikking wordt afgegeven door de inspecteur.
2. De aanwezigheid van activiteiten als bedoeld in het eerste lid moet blijken uit een voor bezwaar vatbare beschikking die, op verzoek van de werknemer, door de inspecteur is afgegeven. In die beschikking moet zijn opgenomen, de datum waarop de activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn gestart en de datum waarop de periode van zes maanden zoals bedoeld in het eerste lid eindigt.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt aangenomen dat de activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn gestart op het moment waarop de inschrijving in het register van de Kamer van Koophandel heeft plaatsgevonden, dan wel had moeten plaatsvinden. Voor ondernemingen die niet kunnen worden ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel moet de datum waarop de activiteiten zijn gestart worden bepaald aan de hand van de feiten en omstandigheden.
4. Rechtstreekse betalingen door de werkgever, als bedoeld in het eerste lid, mogen voor toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.
2. De aanwezigheid van activiteiten als bedoeld in het eerste lid moet blijken uit een voor bezwaar vatbare beschikking die, op verzoek van de werknemer, door de inspecteur is afgegeven. In die beschikking moet zijn opgenomen, de datum waarop de activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn gestart en de datum waarop de periode van zes maanden zoals bedoeld in het eerste lid eindigt.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt aangenomen dat de activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid zijn gestart op het moment waarop de inschrijving in het register van de Kamer van Koophandel heeft plaatsgevonden, dan wel had moeten plaatsvinden. Voor ondernemingen die niet kunnen worden ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel moet de datum waarop de activiteiten zijn gestart worden bepaald aan de hand van de feiten en omstandigheden.
4. Rechtstreekse betalingen door de werkgever, als bedoeld in het eerste lid, mogen voor toepassing van dit artikel worden gelijkgesteld met het beschikken over het tegoed van de spaarloonrekening als bedoeld in het eerste lid.