BWBR0006299
Geldig vanaf 2007-06-07
Artikel 8a
Politiewet 1993
1. Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0006297/artikel/1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht</a>van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak.
2. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/142" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.
3. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de militair van de Koninklijke marechaussee, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn politietaak, bedoeld in artikel 6, eerste lid, en aan de militair van de Koninklijke marechaussee of van enig ander onderdeel van de krijgsmacht die op grond van artikel 58, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 59, eerste lid, bijstand verleent aan de politie.
2. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/142" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.
3. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de militair van de Koninklijke marechaussee, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn politietaak, bedoeld in artikel 6, eerste lid, en aan de militair van de Koninklijke marechaussee of van enig ander onderdeel van de krijgsmacht die op grond van artikel 58, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 59, eerste lid, bijstand verleent aan de politie.