BWBR0006295
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 4
Regeling vergoeding van reis- en verblijfkosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel
1. De dienstreizen worden in de regel met openbare vervoermiddelen gemaakt, waarbij de betrokkene ingedeeld in:
a. categorie A gerechtigd is eerste klasse te reizen;
b. categorie B gerechtigd is tweede klasse te reizen.
2. Wegens reiskosten per openbaar vervoermiddel worden vergoed de verschuldigde en betaalde kosten voor het vervoer van:
a. de betrokkene;
b. dienstbenodigdheden, ingevolge algemene of bijzondere last meegenomen.
3. Abonnementskaarten, trajectkaarten en soortgelijke vervoerbewijzen voor meer dan één reis met een openbaar vervoermiddel worden, hetzij door de zorg van het bevoegd gezag verstrekt, hetzij met voorafgaande goedkeuring van het bevoegd gezag door de betrokkene aangeschaft.
4. Indien voor een dienstreis gebruik is gemaakt van een vervoersbewijs als bedoeld in het vorige lid, dat niet vanwege het bevoegd gezag is verstrekt en waarvoor geen vergoeding van het bevoegd gezag is ontvangen, wordt een bedrag vergoed gelijk aan de kosten van een plaatsbewijs voor het traject dat met dit vervoerbewijs is afgelegd. Indien gedurende de periode van geldigheid meermalen van een dergelijk vervoerbewijs gebruik is gemaakt, mogen de bedoelde vergoedingen over die periode de prijs van het vervoerbewijs niet te boven gaan.
a. categorie A gerechtigd is eerste klasse te reizen;
b. categorie B gerechtigd is tweede klasse te reizen.
2. Wegens reiskosten per openbaar vervoermiddel worden vergoed de verschuldigde en betaalde kosten voor het vervoer van:
a. de betrokkene;
b. dienstbenodigdheden, ingevolge algemene of bijzondere last meegenomen.
3. Abonnementskaarten, trajectkaarten en soortgelijke vervoerbewijzen voor meer dan één reis met een openbaar vervoermiddel worden, hetzij door de zorg van het bevoegd gezag verstrekt, hetzij met voorafgaande goedkeuring van het bevoegd gezag door de betrokkene aangeschaft.
4. Indien voor een dienstreis gebruik is gemaakt van een vervoersbewijs als bedoeld in het vorige lid, dat niet vanwege het bevoegd gezag is verstrekt en waarvoor geen vergoeding van het bevoegd gezag is ontvangen, wordt een bedrag vergoed gelijk aan de kosten van een plaatsbewijs voor het traject dat met dit vervoerbewijs is afgelegd. Indien gedurende de periode van geldigheid meermalen van een dergelijk vervoerbewijs gebruik is gemaakt, mogen de bedoelde vergoedingen over die periode de prijs van het vervoerbewijs niet te boven gaan.