BWBR0006295
Geldig vanaf 1994-01-01
Artikel 20
Regeling vergoeding van reis- en verblijfkosten bij dienstreizen voor onderwijspersoneel
1. Voor een dienstreis van kortere duur dan drie uren bestaat geen aanspraak op vergoeding wegens verblijfkosten. Voor de berekening van de vergoeding wegens verblijfkosten wordt onder tijdsduur van een dienstreis verstaan de tijdsduur berekend overeenkomstig artikel 17, zevende lid.
2. Indien en voor zover de betrokkene in de gelegenheid is geweest de maaltijd op de gebruikelijke plaats of in zijn woning te nuttigen heeft hij ter zake geen aanspraak op een maaltijdtoeslag. Het bevoegd gezag kan in andere gevallen, waarin zulks redelijk is, bepalen, dat geen middagmaaltijdtoeslag wordt verleend.
3. Indien een betrokkene met gescheiden woon- en standplaats vanuit zijn standplaats een dienstreis onderneemt naar een plaats in de nabijheid van zijn woning – zodanig, dat het belang van de instelling toelaat, dat hij in zijn woning vertoeft, of dat hij zich uit zijn woning naar de plaats of plaatsen van zijn dienstverrichting kan begeven – worden de reizen naar en uit de woning als afzonderlijke dienstreizen aangemerkt. Voor de tijd, dat de betrokkene in zijn woning vertoeft bestaat geen aanspraak op vergoeding wegens verblijfkosten.
4. Voorts bestaat geen aanspraak op vergoeding wegens verblijfkosten – behoudens onvermijdelijk doorlopende kosten—voor de tijd, gedurende welke de betrokkene tijdens een dienstreis:
a. zich in verzekering, bewaring of voorlopige hechtenis heeft bevonden, dan wel een door de rechter opgelegde vrijheidsstraf heeft ondergaan;
b. voor verpleging of onderzoek is opgenomen geweest in een ziekeninrichting of in een bijzondere verplegingsinrichting.
2. Indien en voor zover de betrokkene in de gelegenheid is geweest de maaltijd op de gebruikelijke plaats of in zijn woning te nuttigen heeft hij ter zake geen aanspraak op een maaltijdtoeslag. Het bevoegd gezag kan in andere gevallen, waarin zulks redelijk is, bepalen, dat geen middagmaaltijdtoeslag wordt verleend.
3. Indien een betrokkene met gescheiden woon- en standplaats vanuit zijn standplaats een dienstreis onderneemt naar een plaats in de nabijheid van zijn woning – zodanig, dat het belang van de instelling toelaat, dat hij in zijn woning vertoeft, of dat hij zich uit zijn woning naar de plaats of plaatsen van zijn dienstverrichting kan begeven – worden de reizen naar en uit de woning als afzonderlijke dienstreizen aangemerkt. Voor de tijd, dat de betrokkene in zijn woning vertoeft bestaat geen aanspraak op vergoeding wegens verblijfkosten.
4. Voorts bestaat geen aanspraak op vergoeding wegens verblijfkosten – behoudens onvermijdelijk doorlopende kosten—voor de tijd, gedurende welke de betrokkene tijdens een dienstreis:
a. zich in verzekering, bewaring of voorlopige hechtenis heeft bevonden, dan wel een door de rechter opgelegde vrijheidsstraf heeft ondergaan;
b. voor verpleging of onderzoek is opgenomen geweest in een ziekeninrichting of in een bijzondere verplegingsinrichting.