BWBR0006172
Geldig vanaf 1993-10-20
Artikel 3
Regeling luchtvaartuiglichten
1. In de lucht toont een vliegtuig gedurende de daglichtperiode een rood of wit anti-botsingslicht als het daarmee is uitgerust.
2. Op het landingsterrein en de platforms toont een vliegtuig, indien het ermee is uitgerust, gedurende de daglichtperiode een rood anti-botsingslicht:
a. wanneer het vliegtuig taxiet of wordt gesleept, dan wel tijdelijk tot stilstand is gebracht tijdens het taxiën of slepen, of
b. wanneer een voortstuwingsinrichting van het vliegtuig in werking is, dan wel wordt gesteld.
3. Artikel 2, vierde lid, is gedurende de daglichtperiode van overeenkomstige toepassing.
2. Op het landingsterrein en de platforms toont een vliegtuig, indien het ermee is uitgerust, gedurende de daglichtperiode een rood anti-botsingslicht:
a. wanneer het vliegtuig taxiet of wordt gesleept, dan wel tijdelijk tot stilstand is gebracht tijdens het taxiën of slepen, of
b. wanneer een voortstuwingsinrichting van het vliegtuig in werking is, dan wel wordt gesteld.
3. Artikel 2, vierde lid, is gedurende de daglichtperiode van overeenkomstige toepassing.