BWBR0006172
Geldig vanaf 1993-10-20
Artikel 2
Regeling luchtvaartuiglichten
1. In de lucht toont een vliegtuig buiten de daglichtperiode de volgende lichten:
a. navigatielichten, en
b. indien het ermee is uitgerust, een rood of wit anti-botsingslicht.
2. Op het landingsterrein en de platforms toont een vliegtuig buiten de daglichtperiode de volgende lichten:
a. navigatielichten en, indien het ermee is uitgerust, lichten die de spanwijdte van het vliegtuig aangeven, tenzij het tijdens parkeren voldoende wordt verlicht;
b. indien het ermee is uitgerust, een rood anti-botsingslicht: 1º. als het vliegtuig taxiet of wordt gesleept, dan wel tijdelijk tot stilstand is gebracht tijdens het taxiën of slepen, of
2º. als een voortstuwingsinrichting van het vliegtuig in werking is, dan wel wordt gesteld.
1º. als het vliegtuig taxiet of wordt gesleept, dan wel tijdelijk tot stilstand is gebracht tijdens het taxiën of slepen, of
2º. als een voortstuwingsinrichting van het vliegtuig in werking is, dan wel wordt gesteld.
3. Indien een vliegtuig is uitgerust met een installatie die de navigatielichten kan laten knipperen, moeten de navigatielichten knipperend worden getoond indien het vliegtuig niet is uitgerust met een anti-botsingslicht dan wel indien het anti-botsingslicht defect is.
4. Indien de intensiteit van knipperlichten door reflectie in wolken of in mist de taakuitvoering van de vlieger nadelig beïnvloedt, is het toegestaan deze lichten te dimmen of te doven.
a. navigatielichten, en
b. indien het ermee is uitgerust, een rood of wit anti-botsingslicht.
2. Op het landingsterrein en de platforms toont een vliegtuig buiten de daglichtperiode de volgende lichten:
a. navigatielichten en, indien het ermee is uitgerust, lichten die de spanwijdte van het vliegtuig aangeven, tenzij het tijdens parkeren voldoende wordt verlicht;
b. indien het ermee is uitgerust, een rood anti-botsingslicht: 1º. als het vliegtuig taxiet of wordt gesleept, dan wel tijdelijk tot stilstand is gebracht tijdens het taxiën of slepen, of
2º. als een voortstuwingsinrichting van het vliegtuig in werking is, dan wel wordt gesteld.
1º. als het vliegtuig taxiet of wordt gesleept, dan wel tijdelijk tot stilstand is gebracht tijdens het taxiën of slepen, of
2º. als een voortstuwingsinrichting van het vliegtuig in werking is, dan wel wordt gesteld.
3. Indien een vliegtuig is uitgerust met een installatie die de navigatielichten kan laten knipperen, moeten de navigatielichten knipperend worden getoond indien het vliegtuig niet is uitgerust met een anti-botsingslicht dan wel indien het anti-botsingslicht defect is.
4. Indien de intensiteit van knipperlichten door reflectie in wolken of in mist de taakuitvoering van de vlieger nadelig beïnvloedt, is het toegestaan deze lichten te dimmen of te doven.