BWBR0006092
Geldig vanaf 1993-08-01
Artikel 11
Interimregeling stimulering zeescheepvaart 1993
1. De zeescheepvaartonderneming die in het bezit is van een structuurverklaring en een of meer van de in de structuurverklaring vermelde verplichtingen nakomt, doet daarvan onverwijld mededeling aan de minister.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, deelt de zeescheepvaartonderneming die wijziging brengt in of afziet van het nakomen van een verplichting, vermeld in de structuurverklaring, dit onverwijld mee aan de minister.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en het tweede lid, legt de zeescheepvaartonderneming waaraan een structuurverklaring is verleend die betrekking heeft op het in rompbevrachting nemen van zeeschepen, telkens na perioden van één jaar na de datum van afgifte van de structuurverklaring, een verantwoording aan de minister over waarin wordt meegedeeld of het desbetreffende zeeschip of de desbetreffende zeeschepen nog volgens de in het structuurplan verstrekte gegevens, in rompbevrachting worden gehouden. De verantwoording dient te zijn voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze verplichting vervalt op de datum van afloop van de rompbevrachtingsovereenkomst, met een maximum van 10 jaar na de datum waarop het zeeschip bedrijfsmatig in de vaart is genomen door de desbetreffende zeescheepvaartonderneming.
4. De in het derde lid bedoelde verantwoording en accountantsverklaring dienen te voldoen aan het in de bijlagebij deze regeling opgenomen contole-protocol.
5. De verplichting, bedoeld in het tweede lid, rust tevens op de zeescheepvaartonderneming indien wijziging optreedt in de gegevens die bij de aanvraag van de structuurverklaring of in het daaraan ten grondslag liggende structuurplan zijn verstrekt:
a. tot 6 jaar na de datum waarop het zeeschip bedrijfsmatig in de vaart is genomen door de desbetreffende zeescheepvaartonderneming, indien deze verklaring betrekking heeft op het aanschaffen van zeeschepen, of
b. tot de datum van afloop van de rompbevrachtingsovereenkomst, met een maximum van 10 jaar na de datum waarop het zeeschip bedrijfsmatig in de vaart is genomen door de desbetreffende zeescheepvaartonderneming, indien de structuurverklaring betrekking heeft op het in rompbevrachting nemen van zeeschepen.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, deelt de zeescheepvaartonderneming die wijziging brengt in of afziet van het nakomen van een verplichting, vermeld in de structuurverklaring, dit onverwijld mee aan de minister.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en het tweede lid, legt de zeescheepvaartonderneming waaraan een structuurverklaring is verleend die betrekking heeft op het in rompbevrachting nemen van zeeschepen, telkens na perioden van één jaar na de datum van afgifte van de structuurverklaring, een verantwoording aan de minister over waarin wordt meegedeeld of het desbetreffende zeeschip of de desbetreffende zeeschepen nog volgens de in het structuurplan verstrekte gegevens, in rompbevrachting worden gehouden. De verantwoording dient te zijn voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze verplichting vervalt op de datum van afloop van de rompbevrachtingsovereenkomst, met een maximum van 10 jaar na de datum waarop het zeeschip bedrijfsmatig in de vaart is genomen door de desbetreffende zeescheepvaartonderneming.
4. De in het derde lid bedoelde verantwoording en accountantsverklaring dienen te voldoen aan het in de bijlagebij deze regeling opgenomen contole-protocol.
5. De verplichting, bedoeld in het tweede lid, rust tevens op de zeescheepvaartonderneming indien wijziging optreedt in de gegevens die bij de aanvraag van de structuurverklaring of in het daaraan ten grondslag liggende structuurplan zijn verstrekt:
a. tot 6 jaar na de datum waarop het zeeschip bedrijfsmatig in de vaart is genomen door de desbetreffende zeescheepvaartonderneming, indien deze verklaring betrekking heeft op het aanschaffen van zeeschepen, of
b. tot de datum van afloop van de rompbevrachtingsovereenkomst, met een maximum van 10 jaar na de datum waarop het zeeschip bedrijfsmatig in de vaart is genomen door de desbetreffende zeescheepvaartonderneming, indien de structuurverklaring betrekking heeft op het in rompbevrachting nemen van zeeschepen.