BWBR0006085
Geldig vanaf 1993-07-24
Artikel 41
Regeling subsidies particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties
1. In de gevallen, genoemd in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is de subsidieontvanger aan de minister een vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd.
2. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt — uitgezonderd in geval een subsidie als bedoeld in artikel 6is toegekend — uitgegaan van de waarde van de eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de financiële vergoeding verschuldigd wordt met dien verstande dat — in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van eigendommen — wordt uitgegaan van het bedrag dat de instelling als schadevergoeding ontvangt. Indien het onroerend goed betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige.
3. In geval een subsidie als bedoeld in artikel 6is toegekend, wordt bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding uitgegaan van de waarde van de eigendommen en andere vermogensbestanddelen ten tijde van verwerving.
4. Toepassing van het eerste lid blijft achterwege, indien de activiteiten van de instelling nà toestemming van de minister door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa tegen boekwaarde aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.
2. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt — uitgezonderd in geval een subsidie als bedoeld in artikel 6is toegekend — uitgegaan van de waarde van de eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de financiële vergoeding verschuldigd wordt met dien verstande dat — in geval van ontvangst van schadevergoeding voor verlies of beschadiging van eigendommen — wordt uitgegaan van het bedrag dat de instelling als schadevergoeding ontvangt. Indien het onroerend goed betreft, geschiedt de waardebepaling door een onafhankelijke deskundige.
3. In geval een subsidie als bedoeld in artikel 6is toegekend, wordt bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding uitgegaan van de waarde van de eigendommen en andere vermogensbestanddelen ten tijde van verwerving.
4. Toepassing van het eerste lid blijft achterwege, indien de activiteiten van de instelling nà toestemming van de minister door een andere rechtspersoon worden voortgezet en de activa tegen boekwaarde aan die andere rechtspersoon in eigendom zijn overgedragen.