BWBR0005927
Geldig vanaf 1993-07-01
Artikel 5
Besluit sociaal beleidskader inzake de vorming van agrarische opleidingscentra
1. De bescherming tegen ontslag respectievelijk tegen vermindering van de betrekkingsomvang, bedoeld in de artikelen 2en 3, is alleen van toepassing op de boventallige, opgenomen in het personeelsplan als bedoeld in artikel 4, indien hij bereid is een passende betrekking te aanvaarden en mee te werken aan zijn omscholing.
2. Het bevoegd gezag is verplicht een boventallige als bedoeld in het eerste lid, die deelneemt aan omscholing, indien nodig in de gelegenheid te stellen tijdens de voor hem geldende werktijd deze omscholing te volgen.
3. Indien een boventallige als bedoeld in het eerste lid, inkomsten gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen op of na het tijdstip waarop hij als boventallige in het personeelsplan als bedoeld in artikel 4is opgenomen, worden deze inkomsten in mindering gebracht op de bezoldiging, die hij geniet aan de instelling waar hij als boventallige is aangemerkt.
4. De mindering, bedoeld in het derde lid, geschiedt ten hoogste voor dat deel van de bezoldiging dat overeenkomt met het verschil tussen de omvang van de feitelijk voor hem beschikbare werkzaamheden en de omvang van zijn betrekking.
5. Op de vergoeding die de instelling op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs( Stb.1986, 552) ontvangt van Onze Minister ten behoeve van de uitgaven voor het personeel, worden in mindering gebracht de kosten ten behoeve van het bedrag, bedoeld in het derde en vierde lid, en de kosten ten behoeve van salarissen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen voor personeel dat is benoemd met voorbijgaan aan de belanghebbende als bedoeld in het eerste lid, tenzij Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend.
2. Het bevoegd gezag is verplicht een boventallige als bedoeld in het eerste lid, die deelneemt aan omscholing, indien nodig in de gelegenheid te stellen tijdens de voor hem geldende werktijd deze omscholing te volgen.
3. Indien een boventallige als bedoeld in het eerste lid, inkomsten gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf ter hand genomen op of na het tijdstip waarop hij als boventallige in het personeelsplan als bedoeld in artikel 4is opgenomen, worden deze inkomsten in mindering gebracht op de bezoldiging, die hij geniet aan de instelling waar hij als boventallige is aangemerkt.
4. De mindering, bedoeld in het derde lid, geschiedt ten hoogste voor dat deel van de bezoldiging dat overeenkomt met het verschil tussen de omvang van de feitelijk voor hem beschikbare werkzaamheden en de omvang van zijn betrekking.
5. Op de vergoeding die de instelling op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs( Stb.1986, 552) ontvangt van Onze Minister ten behoeve van de uitgaven voor het personeel, worden in mindering gebracht de kosten ten behoeve van het bedrag, bedoeld in het derde en vierde lid, en de kosten ten behoeve van salarissen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen voor personeel dat is benoemd met voorbijgaan aan de belanghebbende als bedoeld in het eerste lid, tenzij Onze Minister hiervoor toestemming heeft verleend.