BWBR0005898
Geldig vanaf 12-03-1993
Artikel 4
Besluit vaststelling minimum eigen vermogen
1. Een kredietinstelling die ingevolge artikel 112, eerste of tweede lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 wordt geacht een vergunning te hebben als bedoeld in artikel 6 of artikel 38 van die wet en die per 1 januari 1993 niet beschikt over het in de artikelen 2 en 3 bepaalde bedrag aan eigen vermogen dient vanaf 1 januari 1993 te beschikken over een bedrag aan eigen vermogen dat niet lager is dan het hoogste eigen vermogen waarover de kredietinstelling beschikte in de periode van 31 december 1989 tot en met 31 december 1992.
2. Indien het bedrag aan eigen vermogen van een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid na 1 januari 1993 toeneemt, treedt voor die kredietinstelling steeds, en met inachtneming van het vierde lid, het hogere bedrag aan eigen vermogen in plaats van het in het eerste lid bedoelde bedrag totdat het eigen vermogen als hier bedoeld het bedrag heeft bereikt genoemd in de artikelen 2 of 3.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een kredietinstelling die sedert 31 december 1989 dochtermaatschappij is geworden van dan wel onder vergelijkbare zeggenschap is komen te staan van andere personen, ondernemingen of instellingen dan die waarvan de kredietinstelling voor genoemde datum dochtermaatschappij was dan wel onder vergelijkbare zeggenschap stond.
4. Het bedrag aan eigen vermogen wordt, voor de toepassing van dit artikel vastgesteld per 31 december van elk jaar, op grond van de gegevens blijkend uit de op grond van artikel 19 van de Wet toezicht kredietwezen (Stb. 1978, 255) dan wel op grond van artikel 55 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 bij de bank periodiek ingediende staten.
2. Indien het bedrag aan eigen vermogen van een kredietinstelling als bedoeld in het eerste lid na 1 januari 1993 toeneemt, treedt voor die kredietinstelling steeds, en met inachtneming van het vierde lid, het hogere bedrag aan eigen vermogen in plaats van het in het eerste lid bedoelde bedrag totdat het eigen vermogen als hier bedoeld het bedrag heeft bereikt genoemd in de artikelen 2 of 3.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een kredietinstelling die sedert 31 december 1989 dochtermaatschappij is geworden van dan wel onder vergelijkbare zeggenschap is komen te staan van andere personen, ondernemingen of instellingen dan die waarvan de kredietinstelling voor genoemde datum dochtermaatschappij was dan wel onder vergelijkbare zeggenschap stond.
4. Het bedrag aan eigen vermogen wordt, voor de toepassing van dit artikel vastgesteld per 31 december van elk jaar, op grond van de gegevens blijkend uit de op grond van artikel 19 van de Wet toezicht kredietwezen (Stb. 1978, 255) dan wel op grond van artikel 55 van de Wet toezicht kredietwezen 1992 bij de bank periodiek ingediende staten.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0005898
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl