BWBR0005898
Geldig vanaf 01-07-2002
Artikel 1
Besluit vaststelling minimum eigen vermogen
1. Onder eigen vermogen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Stb. 1992, 722) wordt verstaan voor:
a) een naamloze of besloten vennootschap: het gestorte kapitaal vermeerderd met de reserves;
b) een vennootschap onder firma: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen der vennoten vermeerderd met de reserves;
c) een commanditaire vennootschap: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen der beherende vennoten alsmede het gestorte commanditaire kapitaal vermeerderd met de reserves;
d) een coöperatie: het door de leden gestorte inleggeld of kapitaal vermeerderd met de reserves;
e) andere rechtsvormen naar Nederlands recht dan de hierboven genoemde: het voordelig verschil tussen bezittingen en schulden bij toepassing van de waarderingsnormen zoals toegepast bij het opstellen van de gepubliceerde jaarrekening;
f) een in Nederland gevestigd bijkantoor van een kredietinstelling of een elektronisch-geldinstelling die in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigd is: de ter beschikking van het bijkantoor gestelde afgezonderde kapitaaldotaties.
2. Voor de bepaling van de omvang van het eigen vermogen als bedoeld in dit besluit worden cumulatief preferente aandelen alsmede immateriële activa niet meebegrepen.
3. Onder reserves worden verstaan de in de jaarrekening als zodanig gepresenteerde reserves inclusief de agioreserve.
4. Indien de Bank zulks noodzakelijk acht kunnen waarderingscorrecties worden toegepast op de berekening van het in dit artikel bedoelde eigen vermogen.
a) een naamloze of besloten vennootschap: het gestorte kapitaal vermeerderd met de reserves;
b) een vennootschap onder firma: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen der vennoten vermeerderd met de reserves;
c) een commanditaire vennootschap: de afgezonderde gestorte vermogensbestanddelen der beherende vennoten alsmede het gestorte commanditaire kapitaal vermeerderd met de reserves;
d) een coöperatie: het door de leden gestorte inleggeld of kapitaal vermeerderd met de reserves;
e) andere rechtsvormen naar Nederlands recht dan de hierboven genoemde: het voordelig verschil tussen bezittingen en schulden bij toepassing van de waarderingsnormen zoals toegepast bij het opstellen van de gepubliceerde jaarrekening;
f) een in Nederland gevestigd bijkantoor van een kredietinstelling of een elektronisch-geldinstelling die in een Staat, die niet een Lid-Staat is, gevestigd is: de ter beschikking van het bijkantoor gestelde afgezonderde kapitaaldotaties.
2. Voor de bepaling van de omvang van het eigen vermogen als bedoeld in dit besluit worden cumulatief preferente aandelen alsmede immateriële activa niet meebegrepen.
3. Onder reserves worden verstaan de in de jaarrekening als zodanig gepresenteerde reserves inclusief de agioreserve.
4. Indien de Bank zulks noodzakelijk acht kunnen waarderingscorrecties worden toegepast op de berekening van het in dit artikel bedoelde eigen vermogen.
- Citeren als
- Art. 1
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0005898
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl