BWBR0005673
Geldig vanaf 1992-11-06
Artikel 16
Regeling sociaal beleidskader reorganisatie politiebestel
1. De plaatsingsadviescommissie hoort iedere ambtenaar op wie het bepaalde in artikel 3niet van toepassing is en die voor een horizontale-, een negatieve verticale- of een positieve verticale plaatsing in aanmerking komt en die de wens te kennen geeft door de plaatsingsadviescommissie te worden gehoord.
2. De plaatsingsadviescommissie hoort in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, voor wie gronden aanwezig worden geacht van het aldaar bepaalde af te wijken.
3. De plaatsingsadviescommissie inventariseert aan de hand van de optieronde, de voorkeuren van ambtenaren, op wie het bepaalde in artikel 3, eerste lid, niet van toepassing is, voor vaste functies in de nieuwe organisatie alsmede hun capaciteiten.
4. Op grond van door het bevoegd gezag aangedragen informatie en eventuele gesprekken met de betrokken ambtenaar brengt de plaatsingsadviescommissie de in het derde lid bedoelde gegevens in relatie met de eisen die gesteld worden aan vaste functies in de nieuwe organisatie.
5. De plaatsingsadviescommissie beziet vervolgens de plaatsingsmogelijkheden in een vaste functie, die eventueel na scholing en het volgen van opleidingen te realiseren zijn. Zij besteedt daarbij aandacht aan al hetgeen overigens nog van belang is in het kader van plaatsing in een andere al dan niet vaste functies.
6. Daarna beziet de plaatsingsadviescommissie de mogelijkheden tot plaatsing van de overige ambtenaren in tijdelijke functies. Zij besteedt daarbij aandacht aan al hetgeen overigens nog van belang is in het kader van plaatsing in andere tijdelijke functie.
2. De plaatsingsadviescommissie hoort in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, voor wie gronden aanwezig worden geacht van het aldaar bepaalde af te wijken.
3. De plaatsingsadviescommissie inventariseert aan de hand van de optieronde, de voorkeuren van ambtenaren, op wie het bepaalde in artikel 3, eerste lid, niet van toepassing is, voor vaste functies in de nieuwe organisatie alsmede hun capaciteiten.
4. Op grond van door het bevoegd gezag aangedragen informatie en eventuele gesprekken met de betrokken ambtenaar brengt de plaatsingsadviescommissie de in het derde lid bedoelde gegevens in relatie met de eisen die gesteld worden aan vaste functies in de nieuwe organisatie.
5. De plaatsingsadviescommissie beziet vervolgens de plaatsingsmogelijkheden in een vaste functie, die eventueel na scholing en het volgen van opleidingen te realiseren zijn. Zij besteedt daarbij aandacht aan al hetgeen overigens nog van belang is in het kader van plaatsing in een andere al dan niet vaste functies.
6. Daarna beziet de plaatsingsadviescommissie de mogelijkheden tot plaatsing van de overige ambtenaren in tijdelijke functies. Zij besteedt daarbij aandacht aan al hetgeen overigens nog van belang is in het kader van plaatsing in andere tijdelijke functie.