BWBR0005672
Geldig vanaf 2014-08-01
Artikel 8
Bekostigingsbesluit WVO
1. Onze Minister stelt jaarlijks het bedrag, bedoeld in artikel 96d, eerste lid, van de wet vast. Het bedrag heeft betrekking op een kalenderjaar.
2. Bij de vaststelling van het in artikel 96d, eerste lid, van de wet bedoelde bedrag, neemt Onze Minister wat het aantal leerlingen betreft in aanmerking het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop het in de eerste volzin bedoeld bedrag betrekking heeft, als werkelijk schoolgaand aan de school stond ingeschreven, onverminderd artikel 7.
3. Het Rijk betaalt elke maand van het kalenderjaar in verband met de kosten voor het personeel en voor de voorzieningen ten behoeve van de exploitatie aan het bevoegd gezag van een school een gedeelte van het bedrag, bedoeld in artikel 96d, eerste lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.
4. Onze Minister kan op het in het eerste lid bedoelde bedrag in mindering brengen, verwachte bedragen als bedoeld in artikel 96m, tweede lid, onder a tot en met d, van de wet.
5. In geval van oprichting, verplaatsing of splitsing van een school kan Onze Minister afwijken van de teldatum en de op die afwijkende datum getelde leerlingen toerekenen aan de nieuwe scholen. Hij kan daarbij nadere voorschriften geven.
6. Met inachtneming van artikel 7d, tweede lid, stelt Onze Minister vier keer per jaar het bekostigingsbedrag vast dat het bevoegd gezag ontvangt voor het onderwijs aan nieuwkomers.
7. De hoogte van het bedrag per nieuwkomer wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
2. Bij de vaststelling van het in artikel 96d, eerste lid, van de wet bedoelde bedrag, neemt Onze Minister wat het aantal leerlingen betreft in aanmerking het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop het in de eerste volzin bedoeld bedrag betrekking heeft, als werkelijk schoolgaand aan de school stond ingeschreven, onverminderd artikel 7.
3. Het Rijk betaalt elke maand van het kalenderjaar in verband met de kosten voor het personeel en voor de voorzieningen ten behoeve van de exploitatie aan het bevoegd gezag van een school een gedeelte van het bedrag, bedoeld in artikel 96d, eerste lid, van de wet, waarop het over dat jaar recht heeft.
4. Onze Minister kan op het in het eerste lid bedoelde bedrag in mindering brengen, verwachte bedragen als bedoeld in artikel 96m, tweede lid, onder a tot en met d, van de wet.
5. In geval van oprichting, verplaatsing of splitsing van een school kan Onze Minister afwijken van de teldatum en de op die afwijkende datum getelde leerlingen toerekenen aan de nieuwe scholen. Hij kan daarbij nadere voorschriften geven.
6. Met inachtneming van artikel 7d, tweede lid, stelt Onze Minister vier keer per jaar het bekostigingsbedrag vast dat het bevoegd gezag ontvangt voor het onderwijs aan nieuwkomers.
7. De hoogte van het bedrag per nieuwkomer wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.