BWBR0005196
Geldig vanaf 1991-09-12
Artikel 4
Beschikking superheffing zure boerderijzuivelprodukten
1. Indien de producent vóór 1984 met de rechtstreekse verkoop en/of levering van zure boerderijzuivelprodukten is begonnen wordt:
a. de heffingvrije hoeveelheid, bedoeld in artikel 2 vastgesteld op: hetzij de hoeveelheid zure boerderijzuivelprodukten, uitgedrukt in melkequivalent, die de producent in 1981 rechtstreeks voor consumptie heeft verkocht, vermeerderd met 1%;
hetzij de hoeveelheid zure boerderijzuivelprodukten, uitgedrukt in melkequivalent, die de producent in de periode van 10 april 1983 tot en met 7 april 1984 dan wel in 1983 heeft verkocht, indien op of na 1 januari 1981 met de rechtstreekse verkoop voor consumptie is begonnen of indien bedoelde verkoop in de periode 2 april 1984 tot en met 31 maart 1985 met meer dan 10% is gedaald of gestegen ten opzichte van 1981;
hetzij de hoeveelheid zure boerderijzuivelprodukten, uitgedrukt in melkequivalent, die de producent in 1981 rechtstreeks voor consumptie heeft verkocht, vermeerderd met 1%;
hetzij de hoeveelheid zure boerderijzuivelprodukten, uitgedrukt in melkequivalent, die de producent in de periode van 10 april 1983 tot en met 7 april 1984 dan wel in 1983 heeft verkocht, indien op of na 1 januari 1981 met de rechtstreekse verkoop voor consumptie is begonnen of indien bedoelde verkoop in de periode 2 april 1984 tot en met 31 maart 1985 met meer dan 10% is gedaald of gestegen ten opzichte van 1981;
b. de referentiehoeveelheid, bedoeld in artikel 2 vastgesteld op de hoeveelheid zure boerderijzuivelprodukten, uitgedrukt in melkequivalent, die de producent in 1983 aan een koper heeft geleverd.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde producent ten tijde van de indiening van de aanvraag als bedoeld in artikel 11ten genoegen van de minister aantoont dat hij na 1 januari 1980 doch vóór 31 januari 1991 investeringsverplichtingen is aangegaan ten behoeve van apparatuur voor de produktie van zure boerderijzuivelprodukten, wordt hem een extra heffingvrije hoeveelheid respectievelijk referentiehoeveelheid toegewezen, welke wordt vastgesteld op het door hem gerealiseerde produktieniveau verminderd met de op grond van het eerste lid toe te wijzen hoeveelheid. De minister kan nadere regelen stellen met betrekking tot de apparatuur waarop de investeringsverplichtingen betrekking moeten hebben.
3. De overeenkomstig de beide voorgaande leden toe te wijzen heffingvrije hoeveelheid respectievelijk referentiehoeveelheid wordt verminderd met het geldende percentage van 2,39% respectievelijk 19,43%.
a. de heffingvrije hoeveelheid, bedoeld in artikel 2 vastgesteld op: hetzij de hoeveelheid zure boerderijzuivelprodukten, uitgedrukt in melkequivalent, die de producent in 1981 rechtstreeks voor consumptie heeft verkocht, vermeerderd met 1%;
hetzij de hoeveelheid zure boerderijzuivelprodukten, uitgedrukt in melkequivalent, die de producent in de periode van 10 april 1983 tot en met 7 april 1984 dan wel in 1983 heeft verkocht, indien op of na 1 januari 1981 met de rechtstreekse verkoop voor consumptie is begonnen of indien bedoelde verkoop in de periode 2 april 1984 tot en met 31 maart 1985 met meer dan 10% is gedaald of gestegen ten opzichte van 1981;
hetzij de hoeveelheid zure boerderijzuivelprodukten, uitgedrukt in melkequivalent, die de producent in 1981 rechtstreeks voor consumptie heeft verkocht, vermeerderd met 1%;
hetzij de hoeveelheid zure boerderijzuivelprodukten, uitgedrukt in melkequivalent, die de producent in de periode van 10 april 1983 tot en met 7 april 1984 dan wel in 1983 heeft verkocht, indien op of na 1 januari 1981 met de rechtstreekse verkoop voor consumptie is begonnen of indien bedoelde verkoop in de periode 2 april 1984 tot en met 31 maart 1985 met meer dan 10% is gedaald of gestegen ten opzichte van 1981;
b. de referentiehoeveelheid, bedoeld in artikel 2 vastgesteld op de hoeveelheid zure boerderijzuivelprodukten, uitgedrukt in melkequivalent, die de producent in 1983 aan een koper heeft geleverd.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde producent ten tijde van de indiening van de aanvraag als bedoeld in artikel 11ten genoegen van de minister aantoont dat hij na 1 januari 1980 doch vóór 31 januari 1991 investeringsverplichtingen is aangegaan ten behoeve van apparatuur voor de produktie van zure boerderijzuivelprodukten, wordt hem een extra heffingvrije hoeveelheid respectievelijk referentiehoeveelheid toegewezen, welke wordt vastgesteld op het door hem gerealiseerde produktieniveau verminderd met de op grond van het eerste lid toe te wijzen hoeveelheid. De minister kan nadere regelen stellen met betrekking tot de apparatuur waarop de investeringsverplichtingen betrekking moeten hebben.
3. De overeenkomstig de beide voorgaande leden toe te wijzen heffingvrije hoeveelheid respectievelijk referentiehoeveelheid wordt verminderd met het geldende percentage van 2,39% respectievelijk 19,43%.