BWBR0004855
Geldig vanaf 1990-01-01
Artikel 2
Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening
1. Een uitvoerder stelt met inachtneming van de doelstelling voor elke voorziening die hij in stand houdt een werkplan vast, dat een beschrijving bevat van de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en de toe te passen werkwijze.
2. Het werkplan bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. de uitgangspunten voor het beleid van de voorziening afgestemd op de problemen en stoornissen van de jeugdigen;
b. de personeelsformatie alsmede de wijze waarop de verantwoordelijkheden voor de onderscheiden taken binnen de voorziening zijn verdeeld, waarbij wordt aangegeven of en onder welke voorwaarden de uitvoerder gebruik maakt van diensten van personen die anders dan als beroepskracht werkzaam zijn;
c. de omvang en inrichting van de accommodatie gerelateerd aan de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en de doelgroep;
d. de wijze van behandeling van klachten;
e. de wijze waarop aan het recht op inzage in en afschrift van bescheiden uitvoering wordt gegeven;
f. hetgeen in het dossier met betrekking tot jeugdigen wordt opgenomen;
g. de wijze waarop de samenwerking met daarvoor in aanmerking komende personen, instellingen en instanties, waaronder scholen, in de regio en indien nodig daarbuiten, is georganiseerd;
h. de wijze waarop de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de voorziening is georganiseerd.
3. Indien het werkplan wijziging behoeft, hetgeen jaarlijks wordt bezien, wordt het gewijzigd.
4. Het werkplan, alsmede wijzigingen daarvan worden door de uitvoerder toegezonden aan Onze ministers en aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming, bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de wet. Het werkplan van een regionale voorziening wordt bovendien toegezonden aan het betrokken provinciaal bestuur en het desbetreffende samenwerkingsverband.
2. Het werkplan bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. de uitgangspunten voor het beleid van de voorziening afgestemd op de problemen en stoornissen van de jeugdigen;
b. de personeelsformatie alsmede de wijze waarop de verantwoordelijkheden voor de onderscheiden taken binnen de voorziening zijn verdeeld, waarbij wordt aangegeven of en onder welke voorwaarden de uitvoerder gebruik maakt van diensten van personen die anders dan als beroepskracht werkzaam zijn;
c. de omvang en inrichting van de accommodatie gerelateerd aan de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en de doelgroep;
d. de wijze van behandeling van klachten;
e. de wijze waarop aan het recht op inzage in en afschrift van bescheiden uitvoering wordt gegeven;
f. hetgeen in het dossier met betrekking tot jeugdigen wordt opgenomen;
g. de wijze waarop de samenwerking met daarvoor in aanmerking komende personen, instellingen en instanties, waaronder scholen, in de regio en indien nodig daarbuiten, is georganiseerd;
h. de wijze waarop de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de voorziening is georganiseerd.
3. Indien het werkplan wijziging behoeft, hetgeen jaarlijks wordt bezien, wordt het gewijzigd.
4. Het werkplan, alsmede wijzigingen daarvan worden door de uitvoerder toegezonden aan Onze ministers en aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming, bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de wet. Het werkplan van een regionale voorziening wordt bovendien toegezonden aan het betrokken provinciaal bestuur en het desbetreffende samenwerkingsverband.