BWBR0004855
Geldig vanaf 1990-01-01
Artikel 5
Besluit kwaliteitsregels jeugdhulpverlening
1. Een hulpverleningsplan is afgestemd op de problemen en stoornissen van de jeugdige en bevat in ieder geval een beschrijving van het voorgenomen hulpverleningsproces.
2. Indien de hulpverlening langer dan zes weken zal duren bevat het hulpverleningsplan in ieder geval:
a. een beschrijving, op basis van een diagnose, van het voorgenomen hulpverleningsproces, in relatie tot de korte en lange termijn doelen, met vermelding van de bij de hulpverlening in te schakelen deskundigen en van evaluatiemomenten;
b. een vermelding van de voornemens ten aanzien van overleg gedurende de hulpverlening met de in het derde lid en vierde lid, bedoelde personen of instanties;
c. een vermelding van de hulpverlener die namens de voorziening voor in ieder geval de in het derde en vierde lid genoemde personen of instanties, de kontaktpersoon is voor het gehele proces van de hulpverlening;
d. een omschrijving van de rol van de pleegouders in het hulpverleningsproces en van de wijze waarop de begeleiding van de pleegouders wordt vorm gegeven, indien sprake is van pleegzorg.
3. Een hulpverleningsplan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de betrokken jeugdige, indien hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en indien hij jonger is dan twaalf jaren, overeenkomstig zijn beoordelingsvermogen,
b. de ouders en de wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige, tenzij sprake is van een acute noodsituatie en het overleg schade zal toebrengen aan de jeugdige, met dien verstande dat binnen zes weken na het eerste kontakt in het kader van de hulpverlening, tussen de uitvoerder van de voorziening en de jeugdige overleg dient te hebben plaatsgevonden,
c. de betrokken kinderrechter, indien sprake is van ondertoezichtstelling,
d. de betrokken pleegouders, indien sprake is van pleegzorg,
e. de betrokken plaatsende instantie, indien sprake is van plaatsing, waarbij artikel 25 van de wet van toepassing is.
4. Een hulpverleningsplan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met:
a. de betrokken gezinsvoogdij-instelling, indien artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is toegepast,
b. de betrokken voogdij-instelling, ingeval het een jeugdige betreft die onder voogdij van een voogdij-instelling staat,
c. de betrokken raad voor de kinderbescherming, ingeval het een voorlopige toevertrouwing aan de raad betreft.
5. Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het hulpverleningsplan. Indien geen overleg is gepleegd wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.
6. De uitvoerder stelt aan het einde van zijn taak ten aanzien van de jeugdige een rapport op, waarin beschreven wordt de wijze waarop de uitvoerder zijn taak heeft verricht. Het rapport wordt toegevoegd aan het hulpverleningsplan. De uitvoerder zendt een afschrift van het rapport tesamen met het hulpverleningsplan aan de personen en instanties, bedoeld in het derde en vierde lid.
2. Indien de hulpverlening langer dan zes weken zal duren bevat het hulpverleningsplan in ieder geval:
a. een beschrijving, op basis van een diagnose, van het voorgenomen hulpverleningsproces, in relatie tot de korte en lange termijn doelen, met vermelding van de bij de hulpverlening in te schakelen deskundigen en van evaluatiemomenten;
b. een vermelding van de voornemens ten aanzien van overleg gedurende de hulpverlening met de in het derde lid en vierde lid, bedoelde personen of instanties;
c. een vermelding van de hulpverlener die namens de voorziening voor in ieder geval de in het derde en vierde lid genoemde personen of instanties, de kontaktpersoon is voor het gehele proces van de hulpverlening;
d. een omschrijving van de rol van de pleegouders in het hulpverleningsproces en van de wijze waarop de begeleiding van de pleegouders wordt vorm gegeven, indien sprake is van pleegzorg.
3. Een hulpverleningsplan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de betrokken jeugdige, indien hij de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en indien hij jonger is dan twaalf jaren, overeenkomstig zijn beoordelingsvermogen,
b. de ouders en de wettelijke vertegenwoordiger van de jeugdige, tenzij sprake is van een acute noodsituatie en het overleg schade zal toebrengen aan de jeugdige, met dien verstande dat binnen zes weken na het eerste kontakt in het kader van de hulpverlening, tussen de uitvoerder van de voorziening en de jeugdige overleg dient te hebben plaatsgevonden,
c. de betrokken kinderrechter, indien sprake is van ondertoezichtstelling,
d. de betrokken pleegouders, indien sprake is van pleegzorg,
e. de betrokken plaatsende instantie, indien sprake is van plaatsing, waarbij artikel 25 van de wet van toepassing is.
4. Een hulpverleningsplan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met:
a. de betrokken gezinsvoogdij-instelling, indien artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is toegepast,
b. de betrokken voogdij-instelling, ingeval het een jeugdige betreft die onder voogdij van een voogdij-instelling staat,
c. de betrokken raad voor de kinderbescherming, ingeval het een voorlopige toevertrouwing aan de raad betreft.
5. Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het hulpverleningsplan. Indien geen overleg is gepleegd wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.
6. De uitvoerder stelt aan het einde van zijn taak ten aanzien van de jeugdige een rapport op, waarin beschreven wordt de wijze waarop de uitvoerder zijn taak heeft verricht. Het rapport wordt toegevoegd aan het hulpverleningsplan. De uitvoerder zendt een afschrift van het rapport tesamen met het hulpverleningsplan aan de personen en instanties, bedoeld in het derde en vierde lid.