BWBR0004809
Geldig vanaf 2005-07-16
Artikel 21
Wet toezicht beleggingsinstellingen
1. Indien Onze Minister vaststelt dat een beheerder, een beleggingsinstelling of een beheerder als bedoeld in artikel 17ain strijd handelt met deze wet, deelt hij dat mee aan de beheerder, de beleggingsinstelling en, indien van toepassing, het bevoegde gezag van de lidstaat van herkomst van de beheerder bedoeld in artikel 17a.
2. Zo nodig doet Onze Minister de mededeling, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van dan wel volgen door een aanwijzing om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
3. De beheerder en de beleggingsinstelling volgen de in het tweede lid bedoelde aanwijzing op binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.
4. Indien Onze Minister niet binnen de in het derde lid bepaalde termijn een bevredigend antwoord van de beheerder of de beleggingsinstelling heeft ontvangen, of indien naar zijn oordeel niet of onvoldoende aan zijn aanwijzing gevolg is gegeven, kan Onze Minister, indien hij dit met het oog op een adequate functionering van de financiële markten of de positie van de beleggers op die markten noodzakelijk acht:
a. de beheerder of de beleggingsinstelling schriftelijk aanzeggen dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de beheerder of de beleggingsinstelling hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door Onze Minister aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt;
b. de beheerder of de beleggingsinstelling schriftelijk aanzeggen, dat Onze Minister zal overgaan tot openbaarmaking van de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, bij welke publicatie, wanneer de beheerder of de beleggingsinstelling dit verlangt, tevens de correspondentie openbaar wordt gemaakt, die naar aanleiding van de aanwijzing tussen Onze Minister en de beheerder of de beleggingsinstelling is gevoerd;
c. de beheerder of de beleggingsinstelling schriftelijk aanzeggen, dat Onze Minister zal overgaan tot openbaarmaking van de uitvoering van onderdeel a.
Onze Minister treft de maatregelen, bedoeld onder a tot en met c, niet voordat het bevoegde gezag van de lidstaat van herkomst, indien van toepassing, hiervan in kennis is gesteld.
5. Indien Onze Minister van oordeel is dat ten aanzien van de beheerder of de beleggingsinstelling onverwijld maatregelen noodzakelijk zijn, kan hij zonder toepassing van de eerste twee leden onmiddellijk uitvoering geven aan onderdeel a van het vierde lid, nadat hij de beheerder of de beleggingsinstelling in de gelegenheid heeft gesteld hun zienswijze over de onmiddellijke uitvoering te geven.
6. Met betrekking tot een aanzegging als bedoeld in het vierde lid, onder a, is het volgende van toepassing:
a. de organen van de beheerder of de beleggingsinstelling verlenen de door Onze Minister aangewezen personen alle medewerking;
b. Onze Minister kan de organen toestaan bepaalde handelingen zonder toestemming te verrichten;
c. Onze Minister kan de aangewezen personen te allen tijde door anderen vervangen;
d. voor schade ten gevolge van handelingen welke zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het vierde lid, onder a, zijn degenen, die deze handelingen als orgaan van de beheerder of de beleggingsinstelling hebben verricht persoonlijk aansprakelijk tegenover de beheerder of de beleggingsinstelling, en kunnen de beheerder of de beleggingsinstelling de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist, dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn;
e. de aanzegging blijft van kracht totdat de in het eerste lid bedoelde omstandigheden niet langer aanwezig zijn, doch voor ten hoogste één jaar.
7. Onze Minister stelt het bevoegde gezag van de lidstaat van herkomst van de beheerder en de Europese Commissie zo spoedig mogelijk in kennis van de genomen maatregelen, bedoeld in het vierde en zesde lid.
8. Het besluit tot publicatie van een aanwijzing als bedoeld in het vierde lid, onder b, wordt eerst van kracht, wanneer het onherroepelijk is geworden. Indien de beheerder of de beleggingsinstelling na de publicatie alsnog voldoet aan de aanwijzing dan wel indien Onze Minister de aanwijzing intrekt, zal Onze Minister hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis geven.
9. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een bewaarder.
2. Zo nodig doet Onze Minister de mededeling, bedoeld in het eerste lid, vergezeld gaan van dan wel volgen door een aanwijzing om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen.
3. De beheerder en de beleggingsinstelling volgen de in het tweede lid bedoelde aanwijzing op binnen een door Onze Minister te bepalen termijn.
4. Indien Onze Minister niet binnen de in het derde lid bepaalde termijn een bevredigend antwoord van de beheerder of de beleggingsinstelling heeft ontvangen, of indien naar zijn oordeel niet of onvoldoende aan zijn aanwijzing gevolg is gegeven, kan Onze Minister, indien hij dit met het oog op een adequate functionering van de financiële markten of de positie van de beleggers op die markten noodzakelijk acht:
a. de beheerder of de beleggingsinstelling schriftelijk aanzeggen dat vanaf een bepaald tijdstip alle of bepaalde organen van de beheerder of de beleggingsinstelling hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door Onze Minister aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging terstond van kracht wordt;
b. de beheerder of de beleggingsinstelling schriftelijk aanzeggen, dat Onze Minister zal overgaan tot openbaarmaking van de aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, bij welke publicatie, wanneer de beheerder of de beleggingsinstelling dit verlangt, tevens de correspondentie openbaar wordt gemaakt, die naar aanleiding van de aanwijzing tussen Onze Minister en de beheerder of de beleggingsinstelling is gevoerd;
c. de beheerder of de beleggingsinstelling schriftelijk aanzeggen, dat Onze Minister zal overgaan tot openbaarmaking van de uitvoering van onderdeel a.
Onze Minister treft de maatregelen, bedoeld onder a tot en met c, niet voordat het bevoegde gezag van de lidstaat van herkomst, indien van toepassing, hiervan in kennis is gesteld.
5. Indien Onze Minister van oordeel is dat ten aanzien van de beheerder of de beleggingsinstelling onverwijld maatregelen noodzakelijk zijn, kan hij zonder toepassing van de eerste twee leden onmiddellijk uitvoering geven aan onderdeel a van het vierde lid, nadat hij de beheerder of de beleggingsinstelling in de gelegenheid heeft gesteld hun zienswijze over de onmiddellijke uitvoering te geven.
6. Met betrekking tot een aanzegging als bedoeld in het vierde lid, onder a, is het volgende van toepassing:
a. de organen van de beheerder of de beleggingsinstelling verlenen de door Onze Minister aangewezen personen alle medewerking;
b. Onze Minister kan de organen toestaan bepaalde handelingen zonder toestemming te verrichten;
c. Onze Minister kan de aangewezen personen te allen tijde door anderen vervangen;
d. voor schade ten gevolge van handelingen welke zijn verricht in strijd met een aanzegging als bedoeld in het vierde lid, onder a, zijn degenen, die deze handelingen als orgaan van de beheerder of de beleggingsinstelling hebben verricht persoonlijk aansprakelijk tegenover de beheerder of de beleggingsinstelling, en kunnen de beheerder of de beleggingsinstelling de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist, dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn;
e. de aanzegging blijft van kracht totdat de in het eerste lid bedoelde omstandigheden niet langer aanwezig zijn, doch voor ten hoogste één jaar.
7. Onze Minister stelt het bevoegde gezag van de lidstaat van herkomst van de beheerder en de Europese Commissie zo spoedig mogelijk in kennis van de genomen maatregelen, bedoeld in het vierde en zesde lid.
8. Het besluit tot publicatie van een aanwijzing als bedoeld in het vierde lid, onder b, wordt eerst van kracht, wanneer het onherroepelijk is geworden. Indien de beheerder of de beleggingsinstelling na de publicatie alsnog voldoet aan de aanwijzing dan wel indien Onze Minister de aanwijzing intrekt, zal Onze Minister hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis geven.
9. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een bewaarder.