BWBR0004809
Geldig vanaf 2005-07-16
Artikel 15
Wet toezicht beleggingsinstellingen
1. Onze Minister kan een vergunning of een ontheffing slechts intrekken:
a. op verzoek van de houder;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning of ontheffing zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste gegevens of bescheiden volledig bekend waren geweest;
c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij zich voor het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing werd verleend, hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de vergunning of ontheffing zou zijn geweigerd;
d. Indien de houder van de vergunning of de ontheffing: 1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de verlening daarvan geen gebruik heeft gemaakt;
2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven daarvan geen of niet langer gebruik te zullen maken;
3°. het verrichten van werkzaamheden waarop zij betrekking heeft gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
4°. kennelijk opgehouden heeft beheerder te zijn;
1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de verlening daarvan geen gebruik heeft gemaakt;
2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven daarvan geen of niet langer gebruik te zullen maken;
3°. het verrichten van werkzaamheden waarop zij betrekking heeft gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
4°. kennelijk opgehouden heeft beheerder te zijn;
e. indien de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet gestelde; of
f. indien de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging als bedoeld in artikel 21.
2. Gedurende de ontbinding, bedoeld in artikel 16, tweede lid, en de vereffening, bedoeld in artikel 16, derde lid, wordt de beheerder voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een beheerder die beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 5.
a. op verzoek van de houder;
b. indien de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning of ontheffing zodanig onjuist of onvolledig blijken dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste gegevens of bescheiden volledig bekend waren geweest;
c. indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij zich voor het tijdstip waarop de vergunning of ontheffing werd verleend, hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de vergunning of ontheffing zou zijn geweigerd;
d. Indien de houder van de vergunning of de ontheffing: 1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de verlening daarvan geen gebruik heeft gemaakt;
2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven daarvan geen of niet langer gebruik te zullen maken;
3°. het verrichten van werkzaamheden waarop zij betrekking heeft gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
4°. kennelijk opgehouden heeft beheerder te zijn;
1°. binnen een termijn van twaalf maanden na de verlening daarvan geen gebruik heeft gemaakt;
2°. uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven daarvan geen of niet langer gebruik te zullen maken;
3°. het verrichten van werkzaamheden waarop zij betrekking heeft gedurende een termijn van meer dan zes maanden heeft gestaakt; of
4°. kennelijk opgehouden heeft beheerder te zijn;
e. indien de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder niet voldoet aan het bij of krachtens deze wet gestelde; of
f. indien de beheerder, de beleggingsinstelling of de bewaarder niet of niet genoegzaam uitvoering heeft gegeven aan een aanwijzing of een aanzegging als bedoeld in artikel 21.
2. Gedurende de ontbinding, bedoeld in artikel 16, tweede lid, en de vereffening, bedoeld in artikel 16, derde lid, wordt de beheerder voor de toepassing van deze wet gelijkgesteld met een beheerder die beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 5.