BWBR0004793
Geldig vanaf 1990-01-01
Artikel 8
Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen
1. De instelling stelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, met betrekking tot iedere jeugdige ten aanzien van wie zij een taak heeft een hulpverleningsplan op, dat is afgestemd op de problemen en stoornissen van de jeugdige. De gezinsvoogdij-instelling stelt dit plan op onder verantwoordelijkheid van degene die verantwoordelijk is voor de opdracht tot hulp en steun.
2. Het hulpverleningsplan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de jeugdige, in relatie tot de korte en lange termijn doelen, met vermelding van de daarbij in te schakelen deskundigen en van evaluatiemomenten alsmede met vermelding van te voeren overleg met daarvoor in aanmerking komende personen of instanties;
b. een vermelding van de wijze waarop daarvoor in aanmerking komende leden van het gezin, waaruit de jeugdige afkomstig is, zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren;
c. een vermelding van degene die namens de instelling de contactpersoon is voor het geheel van de taakuitoefening.
3. Een hulpverleningsplan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de desbetreffende jeugdige, overeenkomstig zijn beoordelingsvermogen;
b. de ouders of voogd, tenzij dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de jeugdige.
4. Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het hulpverleningsplan. Indien geen overleg is gepleegd wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.
5. Indien een jeugdige is geplaatst in een voorziening voor jeugdhulpverlening, wordt, voor zover het hulpverleningsplan van die voorziening voorziet in de onderwerpen genoemd in het tweede lid, geen hulpverleningsplan als bedoeld in het eerste lid vastgesteld.
6. De instelling stelt aan het einde van haar taak ten aanzien van de jeugdige een rapport op, waarin beschreven wordt de wijze waarop zij haar taak heeft verricht. Het rapport wordt toegevoegd aan het hulpverleningsplan.
2. Het hulpverleningsplan bevat in ieder geval:
a. een beschrijving van de voorgenomen activiteiten met betrekking tot de jeugdige, in relatie tot de korte en lange termijn doelen, met vermelding van de daarbij in te schakelen deskundigen en van evaluatiemomenten alsmede met vermelding van te voeren overleg met daarvoor in aanmerking komende personen of instanties;
b. een vermelding van de wijze waarop daarvoor in aanmerking komende leden van het gezin, waaruit de jeugdige afkomstig is, zullen worden betrokken bij de werkzaamheden, dan wel een vermelding van de redenen waarom dit niet zal gebeuren;
c. een vermelding van degene die namens de instelling de contactpersoon is voor het geheel van de taakuitoefening.
3. Een hulpverleningsplan komt niet tot stand en wordt niet gewijzigd dan nadat daarover in ieder geval overleg is gepleegd met:
a. de desbetreffende jeugdige, overeenkomstig zijn beoordelingsvermogen;
b. de ouders of voogd, tenzij dit overleg kennelijk schade zal toebrengen aan de jeugdige.
4. Van het overleg en de resultaten daarvan wordt melding gemaakt in het hulpverleningsplan. Indien geen overleg is gepleegd wordt hiervan met opgave van redenen melding gemaakt.
5. Indien een jeugdige is geplaatst in een voorziening voor jeugdhulpverlening, wordt, voor zover het hulpverleningsplan van die voorziening voorziet in de onderwerpen genoemd in het tweede lid, geen hulpverleningsplan als bedoeld in het eerste lid vastgesteld.
6. De instelling stelt aan het einde van haar taak ten aanzien van de jeugdige een rapport op, waarin beschreven wordt de wijze waarop zij haar taak heeft verricht. Het rapport wordt toegevoegd aan het hulpverleningsplan.