BWBR0004793
Geldig vanaf 1990-01-01
Artikel 18
Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen
1. De gezinsvoogdij-instelling draagt zorg dat een voldoende aantal personen in staat en bereid is als patroon, gezinsvoogd of toezichthouder op te treden.
2. De gezinsvoogdij-instelling wijst zo spoedig mogelijk nadat de minderjarige ingevolge artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboekonder haar toezicht is gesteld een gezinsvoogd aan. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan aan de betrokken ouder en minderjarige.
3. In de mededeling, bedoeld in het tweede lid, wordt tevens opgenomen:
a. de aanduiding van de functionaris die de gezinsvoogd bij afwezigheid vervangt;
b. de wijze waarop geklaagd kan worden over het optreden van de gezinsvoogd of diens vervanger;
c. de wijze waarop een verzoek als bedoeld in artikel 260, eerste lid, en artikel 263, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek moet worden gedaan;
d. de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de gezinsvoogdij-instelling.
4. In geval van verschil van mening tussen de gezinsvoogd en een ouder in zaken betreffende de uitvoering van de ondertoezichtstelling kan de ouder zich tot de ondertoezichtstelling-instelling wenden. Deze kan, zo nodig, een andere gezinsvoogd aanwijzen.
2. De gezinsvoogdij-instelling wijst zo spoedig mogelijk nadat de minderjarige ingevolge artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboekonder haar toezicht is gesteld een gezinsvoogd aan. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan aan de betrokken ouder en minderjarige.
3. In de mededeling, bedoeld in het tweede lid, wordt tevens opgenomen:
a. de aanduiding van de functionaris die de gezinsvoogd bij afwezigheid vervangt;
b. de wijze waarop geklaagd kan worden over het optreden van de gezinsvoogd of diens vervanger;
c. de wijze waarop een verzoek als bedoeld in artikel 260, eerste lid, en artikel 263, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek moet worden gedaan;
d. de wijze waarop beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van de gezinsvoogdij-instelling.
4. In geval van verschil van mening tussen de gezinsvoogd en een ouder in zaken betreffende de uitvoering van de ondertoezichtstelling kan de ouder zich tot de ondertoezichtstelling-instelling wenden. Deze kan, zo nodig, een andere gezinsvoogd aanwijzen.