BWBR0004793
Geldig vanaf 1990-01-01
Artikel 2
Besluit kwaliteitsregels en taken voogdij- en gezinsvoogdij-instellingen
1. Een instelling stelt met inachtneming van de doelstelling waarvoor zij is aanvaard een werkplan vast, dat een beschrijving bevat van de op basis van de doelstelling uit te oefenen functies en werkzaamheden en de toe te passen werkwijze.
2. Het werkplan bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. de uitgangspunten voor het beleid van de instelling, afgestemd op de problemen en stoornissen van de jeugdigen;
b. de personeelsformatie alsmede de wijze waarop de verantwoordelijkheden voor de onderscheiden taken binnen de instelling zijn verdeeld, waarbij wordt aangegeven of en onder welke voorwaarden de instelling gebruik maakt van diensten van personen die anders dan als beroepskracht werkzaam zijn;
c. de omvang en inrichting van de accommodatie;
d. de wijze van behandeling van klachten;
e. de wijze waarop aan de verlening van inzage in en van afschrift van bescheiden uitvoering wordt gegeven;
f. hetgeen in het dossier met betrekking tot de jeugdige wordt opgenomen;
g. de wijze waarop de samenwerking met daarvoor in aanmerking komende personen, instellingen en instanties in de regio en indien nodig daarbuiten, is georganiseerd.
3. Jaarlijks wordt bezien in hoeverre het werkplan wijziging behoeft.
4. Het werkplan alsmede wijzigingen daarvan worden door de instelling toegezonden aan Onze minister en aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.
2. Het werkplan bevat in ieder geval een beschrijving van:
a. de uitgangspunten voor het beleid van de instelling, afgestemd op de problemen en stoornissen van de jeugdigen;
b. de personeelsformatie alsmede de wijze waarop de verantwoordelijkheden voor de onderscheiden taken binnen de instelling zijn verdeeld, waarbij wordt aangegeven of en onder welke voorwaarden de instelling gebruik maakt van diensten van personen die anders dan als beroepskracht werkzaam zijn;
c. de omvang en inrichting van de accommodatie;
d. de wijze van behandeling van klachten;
e. de wijze waarop aan de verlening van inzage in en van afschrift van bescheiden uitvoering wordt gegeven;
f. hetgeen in het dossier met betrekking tot de jeugdige wordt opgenomen;
g. de wijze waarop de samenwerking met daarvoor in aanmerking komende personen, instellingen en instanties in de regio en indien nodig daarbuiten, is georganiseerd.
3. Jaarlijks wordt bezien in hoeverre het werkplan wijziging behoeft.
4. Het werkplan alsmede wijzigingen daarvan worden door de instelling toegezonden aan Onze minister en aan de Inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming.