BWBR0004678
Geldig vanaf 1990-01-01
Artikel 3
Regeling gemoedsbezwaarden sociale verzekeringswetten
1. Wanneer het verzoek een rechtspersoon betreft, wordt de verklaring ingediend door het op grond van de wet of de statuten van die rechtspersoon daartoe bevoegde orgaan.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2houdt de verklaring als bedoeld in het eerste lid tevens in, dat de natuurlijke personen, die behoren tot het orgaan, dat op grond van de wet of de statuten bevoegd is te besluiten de vrijstelling aan te vragen, in meerderheid overwegende gemoedsbezwaren hebben.
3. Bij het verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gevoegd:
a. afschrift van de aan elk van de tot de in het tweede lid bedoelde meerderheid behorende natuurlijke personen verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 1;
b. een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de rechtspersoon, en
c. een gewaarmerkt afschrift van de notulen van de vergadering, waarin het besluit tot het aanvragen van de vrijstelling is genomen.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2houdt de verklaring als bedoeld in het eerste lid tevens in, dat de natuurlijke personen, die behoren tot het orgaan, dat op grond van de wet of de statuten bevoegd is te besluiten de vrijstelling aan te vragen, in meerderheid overwegende gemoedsbezwaren hebben.
3. Bij het verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt gevoegd:
a. afschrift van de aan elk van de tot de in het tweede lid bedoelde meerderheid behorende natuurlijke personen verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 1;
b. een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de rechtspersoon, en
c. een gewaarmerkt afschrift van de notulen van de vergadering, waarin het besluit tot het aanvragen van de vrijstelling is genomen.