Artikel 1
1. De persoon, die gemoedsbezwaren heeft tegen één van de verzekeringen, geregeld in de Algemene Ouderdomswet, de Algemene nabestaandenwet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidsweten de Ziekenfondswet, alsmede de rechtspersoon, waarbij natuurlijke personen betrokken zijn, die zodanige gemoedsbezwaren hebben, kan op zijn verzoek door de Sociale verzekeringsbank dan wel door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen worden ontheven dan wel vrijgesteld van verplichtingen hem bij of krachtens één van deze wetten of de Coördinatiewet Sociale Verzekeringopgelegd.
2. In afwijking van het eerste lid kan geen vrijstelling worden verleend van de verplichtingen, bedoeld in artikel 56 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de artikelen 13en 49 van de Ziektewet, de artikelen 12en 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen de artikelen 13en 25 van de Werkloosheidswet.
2. In afwijking van het eerste lid kan geen vrijstelling worden verleend van de verplichtingen, bedoeld in artikel 56 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, de artikelen 13en 49 van de Ziektewet, de artikelen 12en 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen de artikelen 13en 25 van de Werkloosheidswet.