BWBR0004406
Geldig vanaf 1988-10-01
Artikel 7
Regeling eenmalige uitkering zelfstandigen 1987
1. De eenmalige uitkering bedraagt:
a. f20 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder a;
b. f25 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b;
c. f30 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder c
2. De eenmalige uitkering wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan f 70 vermenigvuldigd met het ten behoeve van de uitkering van de kinderbijslag vastgestelde aantal kinderen voor wie de aanvrager, dan wel zijn echtgenoot, kinderbijslag heeft ontvangen over het derde of het vierde kalenderkwartaal van het jaar 1987.
3. Indien de uitkering die de zelfstandige heeft ontvangen of nog zal ontvangen ingevolge de Regeling eenmalige uitkering zelfstandigen 1986 of ingevolge de wet van 3 juli 1986 mede omvat een verhoging ingevolge artikel 7, vierde of zesde lid, van de Regeling eenmalige uitkering zelfstandigen 1986 dan wel ingevolge artikel 8, vierde lid, van de wet van 3 juli 1986, wordt de uitkering verhoogd met een bedrag van:
a. f 105 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder a;
b. f 135 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b;
c. f 150 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder c.
4. Indien de uitkering op grond van het voorgaande lid is verhoogd, wordt de uitkering voorts nog verhoogd met een bedrag van f 100 vermenigvuldigd met het ten behoeve van de uitkering van de kinderbijslag vastgestelde aantal kinderen voor wie de aanvrager dan wel zijn echtgenoot kinderbijslag heeft ontvangen over het derde of het vierde kalenderkwartaal van het jaar 1987.
5. De uitkering van de zelfstandige die niet wordt verhoogd ingevolge het derde lid wordt op dezelfde wijze verhoogd als aangegeven in het derde en vierde lid, indien de zelfstandige aantoont dat hij een uitkering heeft ontvangen ingevolge de Regeling eenmalige uitkering zelfstandigen 1983 (Stcrt. 1984, 130), dan wel ingevolge de wet van 28 september 1983 (Stb. 542).
6. De eenmalige uitkering wordt na toepassing van het in het eerste tot en met het vijfde lid bepaalde verminderd met zestig procent van het bedrag waarmee het inkomen het minimumniveau overschrijdt en wordt naar beneden op hele guldens afgerond.
7. Indien de uitkering na toepassing van het eerste tot en met het zesde lid ten minste f 1 bedraagt, wordt de uitkering van de zelfstandige die op grond van het bepaalde in het derde of vijfde lid is verhoogd, voorts nog verhoogd door deze te vermenigvuldigen met de factor 2,5.
8. De uitkering die op grond van de voorgaande leden is vastgesteld en minder bedraagt dan f 50 wordt niet uitgekeerd.
a. f20 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder a;
b. f25 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b;
c. f30 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder c
2. De eenmalige uitkering wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan f 70 vermenigvuldigd met het ten behoeve van de uitkering van de kinderbijslag vastgestelde aantal kinderen voor wie de aanvrager, dan wel zijn echtgenoot, kinderbijslag heeft ontvangen over het derde of het vierde kalenderkwartaal van het jaar 1987.
3. Indien de uitkering die de zelfstandige heeft ontvangen of nog zal ontvangen ingevolge de Regeling eenmalige uitkering zelfstandigen 1986 of ingevolge de wet van 3 juli 1986 mede omvat een verhoging ingevolge artikel 7, vierde of zesde lid, van de Regeling eenmalige uitkering zelfstandigen 1986 dan wel ingevolge artikel 8, vierde lid, van de wet van 3 juli 1986, wordt de uitkering verhoogd met een bedrag van:
a. f 105 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder a;
b. f 135 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder b;
c. f 150 voor een zelfstandige als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder c.
4. Indien de uitkering op grond van het voorgaande lid is verhoogd, wordt de uitkering voorts nog verhoogd met een bedrag van f 100 vermenigvuldigd met het ten behoeve van de uitkering van de kinderbijslag vastgestelde aantal kinderen voor wie de aanvrager dan wel zijn echtgenoot kinderbijslag heeft ontvangen over het derde of het vierde kalenderkwartaal van het jaar 1987.
5. De uitkering van de zelfstandige die niet wordt verhoogd ingevolge het derde lid wordt op dezelfde wijze verhoogd als aangegeven in het derde en vierde lid, indien de zelfstandige aantoont dat hij een uitkering heeft ontvangen ingevolge de Regeling eenmalige uitkering zelfstandigen 1983 (Stcrt. 1984, 130), dan wel ingevolge de wet van 28 september 1983 (Stb. 542).
6. De eenmalige uitkering wordt na toepassing van het in het eerste tot en met het vijfde lid bepaalde verminderd met zestig procent van het bedrag waarmee het inkomen het minimumniveau overschrijdt en wordt naar beneden op hele guldens afgerond.
7. Indien de uitkering na toepassing van het eerste tot en met het zesde lid ten minste f 1 bedraagt, wordt de uitkering van de zelfstandige die op grond van het bepaalde in het derde of vijfde lid is verhoogd, voorts nog verhoogd door deze te vermenigvuldigen met de factor 2,5.
8. De uitkering die op grond van de voorgaande leden is vastgesteld en minder bedraagt dan f 50 wordt niet uitgekeerd.