BWBR0004368
Geldig vanaf 1988-09-01
Artikel 7
Schadecompensatieregeling inzake het verleggen van kabels en leidingen in Rijkswaterstaatswerken
1. De commissie bevestigt aan de belanghebbende de ontvangst van het verzoek om een financiële compensatie onder mededeling van de te volgen procedure, zoals hierna omschreven.
2. De commissie stelt de belanghebbende of diens gemachtigde in de gelegenheid het verzoek toe te lichten. Van deze toelichting wordt een verslag opgemaakt. Dit verslag wordt aan de belanghebbende toegezonden.
3. De commissie stelt binnen twee maanden na ontvangst van het ingediende verzoek om een financiële compensatie vast of er al dan niet sprake is van een causaal verband.
4. Indien de commissie van oordeel is dat er geen sprake is van een causaal verband, zoals omschreven in artikel 6 tweede lid onder amaakt zij hieromtrent een concept-advies op en legt dit, binnen een maand na vaststelling van het ontbreken van een causaal verband, zowel aan de belanghebbende als aan de minister voor. Indien niet binnen deze termijn een concept-advies opgemaakt kan worden, deelt de commissie dit aan de belanghebbende mede en geeft daarbij tevens een termijn aan welke maximaal een maand zal bedragen, waarbinnen in ieder geval de advisering zal plaatsvinden.
5. Indien de commissie van oordeel is dat er sprake is van een causaal verband zoals omschreven in artikel 6 tweede lid onder astelt zij een advies op over de hoogte van het bedrag der financiële compensatie.
6. Alvorens de commissie haar definitieve advies als bedoeld in het vijfde lid opstelt, maakt zij een concept-advies op. Dit concept-advies wordt binnen twee maanden na vaststelling van het causaal verband zoals omschreven in artikel 6 tweede lid onder azowel aan de belanghebbende als aan de minister voorgelegd.
Indien niet binnen deze termijn een concept-advies opgemaakt kan worden, deelt de commissie dit aan de belanghebbende mede en geeft daarbij tevens een termijn aan, welke maximaal een maand zal bedragen, waarbinnen in ieder geval de advisering zal plaatsvinden.
7. De belanghebbende en de minister kunnen binnen een termijn van twee maanden na datum van verzending van het concept-advies als bedoeld in het zesde lid eventuele bezwaren ten aanzien van het gestelde in het concept-advies aan de commissie toesturen.
8. Na het verstrijken van de in het zevende lid genoemde termijn stelt de commissie binnen een maand na kennis genomen te hebben van de ingekomen berichten van de belanghebbende en/of minister een definitief advies op en stelt dit in handen van de minister.
2. De commissie stelt de belanghebbende of diens gemachtigde in de gelegenheid het verzoek toe te lichten. Van deze toelichting wordt een verslag opgemaakt. Dit verslag wordt aan de belanghebbende toegezonden.
3. De commissie stelt binnen twee maanden na ontvangst van het ingediende verzoek om een financiële compensatie vast of er al dan niet sprake is van een causaal verband.
4. Indien de commissie van oordeel is dat er geen sprake is van een causaal verband, zoals omschreven in artikel 6 tweede lid onder amaakt zij hieromtrent een concept-advies op en legt dit, binnen een maand na vaststelling van het ontbreken van een causaal verband, zowel aan de belanghebbende als aan de minister voor. Indien niet binnen deze termijn een concept-advies opgemaakt kan worden, deelt de commissie dit aan de belanghebbende mede en geeft daarbij tevens een termijn aan welke maximaal een maand zal bedragen, waarbinnen in ieder geval de advisering zal plaatsvinden.
5. Indien de commissie van oordeel is dat er sprake is van een causaal verband zoals omschreven in artikel 6 tweede lid onder astelt zij een advies op over de hoogte van het bedrag der financiële compensatie.
6. Alvorens de commissie haar definitieve advies als bedoeld in het vijfde lid opstelt, maakt zij een concept-advies op. Dit concept-advies wordt binnen twee maanden na vaststelling van het causaal verband zoals omschreven in artikel 6 tweede lid onder azowel aan de belanghebbende als aan de minister voorgelegd.
Indien niet binnen deze termijn een concept-advies opgemaakt kan worden, deelt de commissie dit aan de belanghebbende mede en geeft daarbij tevens een termijn aan, welke maximaal een maand zal bedragen, waarbinnen in ieder geval de advisering zal plaatsvinden.
7. De belanghebbende en de minister kunnen binnen een termijn van twee maanden na datum van verzending van het concept-advies als bedoeld in het zesde lid eventuele bezwaren ten aanzien van het gestelde in het concept-advies aan de commissie toesturen.
8. Na het verstrijken van de in het zevende lid genoemde termijn stelt de commissie binnen een maand na kennis genomen te hebben van de ingekomen berichten van de belanghebbende en/of minister een definitief advies op en stelt dit in handen van de minister.