BWBR0004368
Geldig vanaf 1988-09-01
Artikel 11
Schadecompensatieregeling inzake het verleggen van kabels en leidingen in Rijkswaterstaatswerken
In de door de minister te nemen beslissing omtrent het verzoek om een financiële compensatie zal de minister ten aanzien van de vraag naar de omvang van het normaal maatschappelijk risico, dan wel het door belanghebbende aanvaarde risico, in ieder geval de mogelijke aanwezigheid van de navolgende indicaties voor genoemd risico betrekken:
a. indien de belanghebbende, die een werk op of in een waterstaatswerk (dijken, Rijkswegen) aanbrengt weet, of althans behoort te weten, dat het waterstaats- c.q. veiligheidsbelang, tot bescherming waarvan het vereiste een vergunning is gesteld, te eniger tijd kan vorderen, dat het werk verwijderd wordt, aanvaardt de belanghebbende daarmee in beginsel geheel of gedeeltelijk het risico, dat de bij hem in beheer zijnde werken te eniger tijd verwijderd dienen te worden;
b. indien de belanghebbende de betreffende werken krachtens een vergunning op of in waterstaatswerk (dijken, Rijkswegen) heeft aangebracht op zodanig tijdstip, dat de belanghebbende had kunnen voorzien, dan wel had behoren te voorzien, dat de waterstaatswerken in de nabije toekomst opgehoogd, verbreed dan wel anderszins gewijzigd zouden moeten worden, is dat een omstandigheid, die in beginsel het door belanghebbende aanvaarde risico verhoogt. Het voorgaande geldt in het bijzonder indien het hoofd van de directie de belanghebbende in kennis heeft gesteld van deze omstandigheid, of indien ten tijde van het aanbrengen van het werk de belanghebbende redelijkerwijze op de hoogte kon zijn van de overheidsmaatregelen en de daarmee samenhangende plannen dienaangaande;
c. indien de belanghebbende het betreffende werk in of op een waterstaatswerk heeft aangebracht, zonder dat de door belanghebbende aan te tonen noodzaak bestond om het betreffende werk juist in of op de betreffende waterkering en niet elders aan te brengen, aanvaardt de belanghebbende daarmee een extra risico. Dit geldt in het bijzonder, indien de belanghebbende, ten einde kosten te besparen, ervan heeft afgezien de betreffende werken elders aan te brengen.
a. indien de belanghebbende, die een werk op of in een waterstaatswerk (dijken, Rijkswegen) aanbrengt weet, of althans behoort te weten, dat het waterstaats- c.q. veiligheidsbelang, tot bescherming waarvan het vereiste een vergunning is gesteld, te eniger tijd kan vorderen, dat het werk verwijderd wordt, aanvaardt de belanghebbende daarmee in beginsel geheel of gedeeltelijk het risico, dat de bij hem in beheer zijnde werken te eniger tijd verwijderd dienen te worden;
b. indien de belanghebbende de betreffende werken krachtens een vergunning op of in waterstaatswerk (dijken, Rijkswegen) heeft aangebracht op zodanig tijdstip, dat de belanghebbende had kunnen voorzien, dan wel had behoren te voorzien, dat de waterstaatswerken in de nabije toekomst opgehoogd, verbreed dan wel anderszins gewijzigd zouden moeten worden, is dat een omstandigheid, die in beginsel het door belanghebbende aanvaarde risico verhoogt. Het voorgaande geldt in het bijzonder indien het hoofd van de directie de belanghebbende in kennis heeft gesteld van deze omstandigheid, of indien ten tijde van het aanbrengen van het werk de belanghebbende redelijkerwijze op de hoogte kon zijn van de overheidsmaatregelen en de daarmee samenhangende plannen dienaangaande;
c. indien de belanghebbende het betreffende werk in of op een waterstaatswerk heeft aangebracht, zonder dat de door belanghebbende aan te tonen noodzaak bestond om het betreffende werk juist in of op de betreffende waterkering en niet elders aan te brengen, aanvaardt de belanghebbende daarmee een extra risico. Dit geldt in het bijzonder, indien de belanghebbende, ten einde kosten te besparen, ervan heeft afgezien de betreffende werken elders aan te brengen.