BWBR0004368
Geldig vanaf 1988-09-01
Artikel 12
Schadecompensatieregeling inzake het verleggen van kabels en leidingen in Rijkswaterstaatswerken
1. De financiële compensatie wordt, rekening houdend met het bepaalde in de artikelen 10en 11, bepaald door het schadebedrag, dat is opgebouwd uit de bestaande restantboekwaarde van de te vervangen werken vermeerderd met de contante waarde (over de resterende periode van de liggingsduur van de te vervangen werken) van het verschil tussen de annuïteit van de oorspronkelijke (historische) en de nieuwe investering, te vermenigvuldigen met de factor
[tabel]
waarbij:
2. Het contant maken geschiedt tegen de marktrente van langlopende leningen, op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het betreffende intrekkings-, opzeggings- of wijzigingsbesluit: over de periode strekkend van het jaar van de vervroegde vervanging tot het einde van de te verwachten ongestoorde liggingsduur zoals omschreven in het eerste lid.
3. Voor de berekening van de annuïteiten wordt ten aanzien van zowel de nieuwe als de bestaande (oude) annuïteit het percentqage van de op dat tijdstip geldende wettelijke rente gehanteerd en de periode van de te verwachten ongestoorde liggingsduur als bedoeld in artikel 10.
4. Het berekenen van de annuïteit geschiedt op basis van de factor die aangeeft, welk gelijkblijvend bedrag aan interest en aflossing te zamen aan het einde van elk jaar moet worden voldaan om in n-jaar een schuld af te lossen.
5. Het contant maken geschiedt op basis van de factor die geldt voor het contant maken van n-periodes gelijkblijvende termijnen.
[tabel]
waarbij:
2. Het contant maken geschiedt tegen de marktrente van langlopende leningen, op het tijdstip van het onherroepelijk worden van het betreffende intrekkings-, opzeggings- of wijzigingsbesluit: over de periode strekkend van het jaar van de vervroegde vervanging tot het einde van de te verwachten ongestoorde liggingsduur zoals omschreven in het eerste lid.
3. Voor de berekening van de annuïteiten wordt ten aanzien van zowel de nieuwe als de bestaande (oude) annuïteit het percentqage van de op dat tijdstip geldende wettelijke rente gehanteerd en de periode van de te verwachten ongestoorde liggingsduur als bedoeld in artikel 10.
4. Het berekenen van de annuïteit geschiedt op basis van de factor die aangeeft, welk gelijkblijvend bedrag aan interest en aflossing te zamen aan het einde van elk jaar moet worden voldaan om in n-jaar een schuld af te lossen.
5. Het contant maken geschiedt op basis van de factor die geldt voor het contant maken van n-periodes gelijkblijvende termijnen.