BWBR0004364
Geldig vanaf 04-06-2026
Artikel 32
Scheepvaartverkeerswet
1. Met de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten en van de in de Herziene Rijnvaartakte strafbaar gestelde feiten, voor zover deze laatste de overtreding betreffen van bepalingen die krachtens deze wet zijn vastgesteld, zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de daartoe door het bevoegd gezag, in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren. Deze ambtenaren zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het publicatieblad, genoemd in artikel 1 of 2 van de Bekendmakingswet, van het openbaar lichaam waartoe het betreffende orgaan, genoemd in artikel 2, behoort.
3. De artikelen 5:13, 5:15 tot en met 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in het publicatieblad, genoemd in artikel 1 of 2 van de Bekendmakingswet, van het openbaar lichaam waartoe het betreffende orgaan, genoemd in artikel 2, behoort.
3. De artikelen 5:13, 5:15 tot en met 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
- Citeren als
- Art. 32
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0004364
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl