BWBR0004364
Geldig vanaf 1988-09-01
Artikel 29
Scheepvaartverkeerswet
1. Een opsporingsambtenaar als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/141" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering</a>kan, indien hij een ernstige verdenking heeft dat degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie adviseert, handelt in strijd met artikel 27, eerste, tweede of vierde lid, aan die persoon een verbod opleggen op een scheepvaartweg een varend schip te voeren of te sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren, voor de tijd gedurende welke hij verwacht dat deze toestand zal voortduren tot ten hoogste vierentwintig uren.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een schip dat op een scheepvaartweg voor vertrek gereed ligt, te voeren of te sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren, indien de opsporingsambtenaar ernstige reden heeft om aan te nemen dat dit voeren, sturen of adviseren zal leiden tot handelen in strijd met artikel 27, eerste of tweede lid.
3. Het is degene aan wie een verbod op grond van dit artikel is opgelegd, gedurende de tijd waarvoor het verbod geldt, verboden op een scheepvaartweg een varend schip te voeren of te sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren.
4. Degene aan wie een verbod op grond van dit artikel is opgelegd, is verplicht de bevelen die door de opsporingsambtenaar worden gegeven voor de uitvoering van het verbod op te volgen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene die aanstalten maakt een schip dat op een scheepvaartweg voor vertrek gereed ligt, te voeren of te sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren, indien de opsporingsambtenaar ernstige reden heeft om aan te nemen dat dit voeren, sturen of adviseren zal leiden tot handelen in strijd met artikel 27, eerste of tweede lid.
3. Het is degene aan wie een verbod op grond van dit artikel is opgelegd, gedurende de tijd waarvoor het verbod geldt, verboden op een scheepvaartweg een varend schip te voeren of te sturen, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer over de te voeren navigatie te adviseren.
4. Degene aan wie een verbod op grond van dit artikel is opgelegd, is verplicht de bevelen die door de opsporingsambtenaar worden gegeven voor de uitvoering van het verbod op te volgen.