BWBR0004362
Geldig vanaf 1988-07-15
Artikel 2
Subsidieregeling vrijwillige pleegzorg
1. Aan een in Nederland woonachtige pleegouder die de leeftijd van 21 jaren heeft bereikt, kan subsidie worden verstrekt in de kosten van opvoeding en verzorging van een jeugdige indien:
a. de opvoeding en verzorging geschiedt gedurende het gehele etmaal en gedurende tenminste vijf opeenvolgende dagen per week;
b. een bevoegde ambulante instelling met betrekking tot de jeugdige in de periode van twee maanden voorafgaande aan de plaatsing een indicatie tot plaatsing bij een pleegouder heeft gesteld;
c. aan niet meer dan drie jeugdigen jeugdhulpverlening wordt geboden, tenzij de erkende ambulante instelling heeft vastgesteld dat meer dan drie pleegkinderen door de pleegouder kunnen worden verzorgd en opgevoed;
d. ook overigens wordt voldaan aan het in dit besluit bepaalde.
2. Aan een pleegouder wordt geen subsidie verstrekt in de kosten van opvoeding en verzorging van een jeugdige indien:
a. het een minderjarige betreft wiens wettelijke vertegenwoordiger schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de hulpverlening;
b. de pleegouder degene is die door de plaatsende instantie, bedoeld in het eerste lid, onder b, is belast met de begeleiding.
3. Indien het de opvoeding en verzorging betreft van een jeugdige die door een raad voor de kinderbescherming ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van de ouderlijke macht of van de voogdij bij een pleegouder is geplaatst, wordt het subsidie gedurende ten hoogste drie maanden verstrekt.
a. de opvoeding en verzorging geschiedt gedurende het gehele etmaal en gedurende tenminste vijf opeenvolgende dagen per week;
b. een bevoegde ambulante instelling met betrekking tot de jeugdige in de periode van twee maanden voorafgaande aan de plaatsing een indicatie tot plaatsing bij een pleegouder heeft gesteld;
c. aan niet meer dan drie jeugdigen jeugdhulpverlening wordt geboden, tenzij de erkende ambulante instelling heeft vastgesteld dat meer dan drie pleegkinderen door de pleegouder kunnen worden verzorgd en opgevoed;
d. ook overigens wordt voldaan aan het in dit besluit bepaalde.
2. Aan een pleegouder wordt geen subsidie verstrekt in de kosten van opvoeding en verzorging van een jeugdige indien:
a. het een minderjarige betreft wiens wettelijke vertegenwoordiger schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de hulpverlening;
b. de pleegouder degene is die door de plaatsende instantie, bedoeld in het eerste lid, onder b, is belast met de begeleiding.
3. Indien het de opvoeding en verzorging betreft van een jeugdige die door een raad voor de kinderbescherming ten behoeve van een onderzoek naar de noodzaak van een maatregel tot beperking of ontneming van de ouderlijke macht of van de voogdij bij een pleegouder is geplaatst, wordt het subsidie gedurende ten hoogste drie maanden verstrekt.