BWBR0004192
Geldig vanaf 1987-10-01
Artikel 20
Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs
1. Over de instelling van dienstcommissies krachtens artikel 103 van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs heeft overleg plaats met het plaatselijk overlegorgaan.
2. Bij het instellen van dienstcommissies wordt er zoveel mogelijk op gelet, dat de eenheid waarvoor een commissie wordt ingesteld, in organisatorische dan wel beleidsuitvoerend opzicht een eenheid vormt.
3. Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 124 tot en met 126a, 126b, eerste, tweede en zesde lid, en 126c tot en met 129a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement op de in de voorgaande leden bedoelde dienstcommissies wordt gelezen in de plaats van:
a. Onze Minister: het bevoegd gezag in de zin van dit besluit;
b. bijzondere commissie: het plaatselijk overlegorgaan;
c. de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken: het plaatselijk overlegorgaan.
2. Bij het instellen van dienstcommissies wordt er zoveel mogelijk op gelet, dat de eenheid waarvoor een commissie wordt ingesteld, in organisatorische dan wel beleidsuitvoerend opzicht een eenheid vormt.
3. Bij de overeenkomstige toepassing van de artikelen 124 tot en met 126a, 126b, eerste, tweede en zesde lid, en 126c tot en met 129a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement op de in de voorgaande leden bedoelde dienstcommissies wordt gelezen in de plaats van:
a. Onze Minister: het bevoegd gezag in de zin van dit besluit;
b. bijzondere commissie: het plaatselijk overlegorgaan;
c. de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken: het plaatselijk overlegorgaan.