BWBR0004192
Geldig vanaf 1987-10-01
Artikel 15
Rechtspositiereglement Wetenschappelijk Onderwijs
1. Aan de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in artikel 14, eerste lid, wordt, na beëindiging van zijn lidmaatschap van het college van bestuur of faculteitsbestuur dan wel van zijn rectoraat, op zijn verzoek buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging dan wel loon.
2. Bij de vaststelling van de duur van dat verlof wordt in aanmerking genomen dat het verlof uitsluitend ten doel heeft de ambtenaar dan wel werknemer in de gelegenheid te stellen de voor een juiste vervulling van zijn betrekking noodzakelijke kennis te verwerven van de ontwikkelingen die zich gedurende zijn in het eerste lid bedoelde lidmaatschap op zijn vakgebied hebben voorgedaan.
3. Het verlof wordt verleend voor ten hoogste een derde van het aantal maanden waarin de ambtenaar dan wel werknemer zonder onderbreking lid is geweest van het college van bestuur of faculteitsbestuur dan wel het rectoraat heeft vervuld. Het bedraagt in geen geval meer dan twaalf maanden.
4. Indien voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel werknemer aan wie ingevolge het bepaalde in het eerste lid verlof is verleend, geen voorziening is getroffen die diens terugkeer naar die betrekking onmogelijk maakt, wordt zulk een voorziening evenmin getroffen gedurende het verlof.
5. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar dan wel werknemer die, gekozen tot lid van een faculteitsbestuur, onverminderd het bepaalde in artikel 17, gedurende zijn lidmaatschap van dat bestuur vrijwel de gehele werktijd heeft besteed aan werkzaamheden die uit dat lidmaatschap voortvloeien. Voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in de eerste volzin, wordt gedurende het verlof geen voorziening getroffen die diens terugkeer naar die betrekking onmogelijk maakt.
2. Bij de vaststelling van de duur van dat verlof wordt in aanmerking genomen dat het verlof uitsluitend ten doel heeft de ambtenaar dan wel werknemer in de gelegenheid te stellen de voor een juiste vervulling van zijn betrekking noodzakelijke kennis te verwerven van de ontwikkelingen die zich gedurende zijn in het eerste lid bedoelde lidmaatschap op zijn vakgebied hebben voorgedaan.
3. Het verlof wordt verleend voor ten hoogste een derde van het aantal maanden waarin de ambtenaar dan wel werknemer zonder onderbreking lid is geweest van het college van bestuur of faculteitsbestuur dan wel het rectoraat heeft vervuld. Het bedraagt in geen geval meer dan twaalf maanden.
4. Indien voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel werknemer aan wie ingevolge het bepaalde in het eerste lid verlof is verleend, geen voorziening is getroffen die diens terugkeer naar die betrekking onmogelijk maakt, wordt zulk een voorziening evenmin getroffen gedurende het verlof.
5. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar dan wel werknemer die, gekozen tot lid van een faculteitsbestuur, onverminderd het bepaalde in artikel 17, gedurende zijn lidmaatschap van dat bestuur vrijwel de gehele werktijd heeft besteed aan werkzaamheden die uit dat lidmaatschap voortvloeien. Voor de vervulling van de betrekking van de ambtenaar dan wel werknemer, bedoeld in de eerste volzin, wordt gedurende het verlof geen voorziening getroffen die diens terugkeer naar die betrekking onmogelijk maakt.