1. Met de persoon, bedoeld in
artikel 4, eerste lid, van de wet, wordt gelijkgesteld de persoon wiens dienstbetrekking voor 1 januari 1987 is geëindigd doch onafgebroken tot 1 januari 1987 geen recht had op uitkering op grond van de
WW, uitsluitend wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel g, h, i of k, zonodig in verbinding met artikel 39, eerste lid, van die wet.
2. De persoon, genoemd in het eerste lid, ten aanzien van wie de in dat lid genoemde omstandigheid voor 1 januari 1989 niet meer van toepassing is, wordt geacht op de dag volgend op die waarop zijn dienstbetrekking eindigde, zijn recht op uitkering op grond van de
WWte hebben onderbroken.
3. De persoon, bedoeld in het eerste lid, ten aanzien van wie de in dat lid genoemde omstandigheid op 1 januari 1989 nog van toepassing is, wordt geacht na afloop van die omstandigheid de maximum uitkeringsduur op grond van de
WWte hebben bereikt.