BWBR0003976
Geldig vanaf 1986-06-11
Artikel 1.3
Regeling typekeuring uitlaatsystemen motorvoertuigen en bromfietsen
1.3.1. Met het uitlaatsysteem moet het voertuig prestaties kunnen leveren die vergelijkbaar zijn met die welke zijn geleverd met het oorspronkelijke uitlaatsysteem.
1.3.2. Het uitlaatsysteem wordt vergeleken met een oorspronkelijk uitlaatsysteem, dat eveneens nieuw is en dat gemonteerd wordt op het in artikel 4, onder c, van de regeling bedoelde voertuig.
1.3.3. Beproevingsmethoden
1.3.3.1. Beproeving op een motor
De metingen worden verricht aan de in artikel 4, onder d, genoemde motor die aan een dynamometerrem is gekoppeld. Bij volledig geopende gasklep moet de dynamometerrem zodanig worden afgesteld, dat het toerental van de motor (S) gelijk is aan het toerental waarbij het maximumvermogen wordt geleverd.
1.3.3.2. Beproeving op een voertuig
De metingen worden verricht aan het in artikel 4, onder c, genoemde voertuig.
De beproeving moet worden uitgevoerd:
hetzij op een weg,
hetzij op een rollenbank.
Bij geopende gasklep moet de motor zodanig belast worden dat het toerental (S) gelijk is aan dat bij maximumvermogen.
1.3.2. Het uitlaatsysteem wordt vergeleken met een oorspronkelijk uitlaatsysteem, dat eveneens nieuw is en dat gemonteerd wordt op het in artikel 4, onder c, van de regeling bedoelde voertuig.
1.3.3. Beproevingsmethoden
1.3.3.1. Beproeving op een motor
De metingen worden verricht aan de in artikel 4, onder d, genoemde motor die aan een dynamometerrem is gekoppeld. Bij volledig geopende gasklep moet de dynamometerrem zodanig worden afgesteld, dat het toerental van de motor (S) gelijk is aan het toerental waarbij het maximumvermogen wordt geleverd.
1.3.3.2. Beproeving op een voertuig
De metingen worden verricht aan het in artikel 4, onder c, genoemde voertuig.
De beproeving moet worden uitgevoerd:
hetzij op een weg,
hetzij op een rollenbank.
Bij geopende gasklep moet de motor zodanig belast worden dat het toerental (S) gelijk is aan dat bij maximumvermogen.