BWBR0003976
Geldig vanaf 1986-06-11
Artikel 1.2
Regeling typekeuring uitlaatsystemen motorvoertuigen en bromfietsen
1.2.1. Voor het controleren van de doeltreffende akoestische werking van het uitlaatsysteem wordt gebruik gemaakt van de wettelijk voorgeschreven methoden die tijdens de typekeuring van het oorspronkelijke voertuig golden.
Wanneer het uitlaatsysteem is gemonteerd op het in artikel 4, onder c, van de regeling genoemde voertuig, moeten de geluidniveauwaarden die zijn verkregen volgens de twee voorgeschreven meetmethoden (meting aan een stilstaand en aan een rijdend voertuig), voldoen aan één van de onderstaande voorwaarden:
1.2.1.1. – zij mogen de geluidswaarden niet overschrijden die bij de typegoedkeuring van het desbetreffende type voertuig zijn verkregen.
1.2.1.2. – zij mogen de geluidswaarden niet overschrijden die zijn gemeten bij het in artikel 4, tweede lid, onder c, van de regeling bedoelde voertuig, dat is uitgerust met een uitlaatsysteem van het type waarmee het voertuig tijdens de typekeuring was uitgerust.
Wanneer het uitlaatsysteem is gemonteerd op het in artikel 4, onder c, van de regeling genoemde voertuig, moeten de geluidniveauwaarden die zijn verkregen volgens de twee voorgeschreven meetmethoden (meting aan een stilstaand en aan een rijdend voertuig), voldoen aan één van de onderstaande voorwaarden:
1.2.1.1. – zij mogen de geluidswaarden niet overschrijden die bij de typegoedkeuring van het desbetreffende type voertuig zijn verkregen.
1.2.1.2. – zij mogen de geluidswaarden niet overschrijden die zijn gemeten bij het in artikel 4, tweede lid, onder c, van de regeling bedoelde voertuig, dat is uitgerust met een uitlaatsysteem van het type waarmee het voertuig tijdens de typekeuring was uitgerust.