BWBR0003737
Geldig vanaf 1985-01-01
Artikel 12a
Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985
1. Als bewijsstuk, bedoeld in artikel 68 van de Veewetwordt voor vlees van gekweekt wild, tevens zijnde vee in de zin van artikel 66, onderdeel a, van de Veewetaangewezen het gezondheidscertificaat, bedoeld in bijlage IV van richtlijn 91/495/EEG.
2. Het vervoer van vlees van gekweekt wild, niet zijnde gekweekt wild als bedoeld in het eerste lid, van enige plaats in Nederland naar het grondgebied van en bestemd voor een ander land is slechts toegestaan indien het vlees vergezeld gaat van het gezondheidscertificaat, bedoeld in het eerste lid.
3. Een gezondheidscertificaat als bedoeld in het eerste lid wordt slechts afgegeven indien:
a. het vlees afkomstig is van gekweekt wild dat is geslacht in een erkend slachthuis als bedoeld in artikel 9, eerste lid;
b. het vlees is uitgesneden of uitgebeend in een overeenkomstig artikel 9, tweede lid, erkende uitsnijderij;
c. is voldaan aan, voor zover van toepassing: de eisen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen b tot en met f en w, tweede gedachtenstreepje;
artikel 2, tweede lid, met inachtneming van artikel 2, derde lid, en
artikel 3, b tot en met h, en k; met uitzondering van de in die artikelen opgenomen eisen ter zake van gehakt, stukken vlees van minder dan 100 gram en vleesbereidingen, en met dien verstande dat;
in de vorenbedoelde artikelen voor ‘vee’ gelezen wordt ‘gekweekt wild’ en voor ‘vers vlees’ gelezen wordt ‘vlees’;
in de vorenbedoelde artikelen voor een landbouwhuisdier dat wordt genoemd, of waarnaar wordt verwezen, wordt gelezen de daarmee corresponderende, niet-gedomesticeerde diersoort, die als huisdier is gehouden;
de eisen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen b tot en met f en w, tweede gedachtenstreepje;
artikel 2, tweede lid, met inachtneming van artikel 2, derde lid, en
artikel 3, b tot en met h, en k; met uitzondering van de in die artikelen opgenomen eisen ter zake van gehakt, stukken vlees van minder dan 100 gram en vleesbereidingen, en met dien verstande dat;
in de vorenbedoelde artikelen voor ‘vee’ gelezen wordt ‘gekweekt wild’ en voor ‘vers vlees’ gelezen wordt ‘vlees’;
in de vorenbedoelde artikelen voor een landbouwhuisdier dat wordt genoemd, of waarnaar wordt verwezen, wordt gelezen de daarmee corresponderende, niet-gedomesticeerde diersoort, die als huisdier is gehouden;
d. de dieren waarvan het vlees afkomstig is, op andere tijdstippen worden geslacht dan runderen, varkens, schapen en geiten;
e. ter zake van het vlees geen beperkingen gelden naar aanleiding van een veterinaire keuring;
f. voor zover het betreft vlees van gekweekte everzwijnen of van andere voor besmetting met trichinen vatbare diersoorten, dit vlees is onderzocht met behulp van een digestiemethode overeenkomstig richtlijn 77/96/EEG;
g. het niet betreft vlees dat afkomstig is van dieren die zijn besmet met trichinen, of vlees dat overeenkomstig artikel 5, eerste lid, onderdeel b tot en met k, van richtlijn 64/433/EEG voor menselijke consumptie ongeschikt moet worden verklaard;
h. het vlees is gemerkt met het keurmerk, bedoeld in hoofdstuk XI van bijlage I van richtlijn 64/433/EEG;
i. het niet betreft vlees van gekweekt wild dat is ingevoerd uit een derde land, niet zijnde Noorwegen. Dit vlees wordt gemerkt met het keurmerk, bedoeld in onderdeel j, waarin de letters ‘EEG’ zijn vervangen door: ‘GOEDGEKEURD’;
j. is voldaan aan de eisen van de artikelen 4, 5 en 6;
k. voor zover het separatorvlees van gekweekt wild betreft, het is bestemd voor een derde land.
4. Ten aanzien van de in het derde lid bedoelde afgifte van een gezondheidscertificaat zijn artikel 10, eerste en tweede lid, en artikel 12, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Indien het gekweekte wild niet kan worden vervoerd zonder risico's voor de begeleiders of in verband met het welzijn van de dieren kan de Minister, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, toestaan dat dat wild wordt geslacht op de plaats van oorsprong, onder de volgende voorwaarden:
a. er wordt voldaan aan de eisen van het derde lid, onderdeel e;
b. de eigenaar van de dieren dient een daartoe strekkend verzoek in bij de VWA, onder opgave van het aantal dieren, de plaats en de datum waarop de dieren worden geslacht;
c. het bedrijf beschikt over een verzamelcentrum voor het gekweekte wild waar het mogelijk is een keuring vóór het slachten van de te slachten groep te verrichten;
d. het bedrijf beschikt over een passende ruimte voor het bedwelmen, het steken en het uitbloeden van de dieren;
e. het doden door steken en uitbloeden wordt voorafgegaan door verdoving, overeenkomstig de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 november 1974, nr. 74/577/EEG, betreffende de verdoving van dieren vóór het slachten (PbEG L 316); de Minister kan in bijzondere gevallen doden door middel van de kogel toestaan;
f. de gedode en uitgebloede dieren worden, onder bevredigende hygiënische omstandigheden, in hangende positie vervoerd naar een overeenkomstig artikel 9 erkend slachthuis en zulks zo spoedig mogelijk na het slachten. Wanneer het wild dat is gedood op de plaats waar het werd gekweekt, niet binnen een uur naar een overeenkomstig artikel 9 erkend slachthuis kan worden gebracht, wordt het vervoerd in een container of vervoermiddel waarin een temperatuur heerst tussen 0 °C en 4 °C. Het verwijderen van de ingewanden vindt ten laatste drie uur na het bedwelmen onderscheidenlijk na het doden door middel van de kogel plaats;
g. bij het vervoer naar het slachthuis gaan de dieren vergezeld van een verklaring van de officiële dierenarts waaruit blijkt dat de keuring voor het slachten een gunstig resultaat heeft opgeleverd, dat het leegbloeden op correcte wijze is geschied en waarin het uur waarop het slachten heeft plaatsgevonden wordt vermeld; deze verklaring stemt overeen met het model, bedoeld in bijlage III van richtlijn 91/495/EEG.
2. Het vervoer van vlees van gekweekt wild, niet zijnde gekweekt wild als bedoeld in het eerste lid, van enige plaats in Nederland naar het grondgebied van en bestemd voor een ander land is slechts toegestaan indien het vlees vergezeld gaat van het gezondheidscertificaat, bedoeld in het eerste lid.
3. Een gezondheidscertificaat als bedoeld in het eerste lid wordt slechts afgegeven indien:
a. het vlees afkomstig is van gekweekt wild dat is geslacht in een erkend slachthuis als bedoeld in artikel 9, eerste lid;
b. het vlees is uitgesneden of uitgebeend in een overeenkomstig artikel 9, tweede lid, erkende uitsnijderij;
c. is voldaan aan, voor zover van toepassing: de eisen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen b tot en met f en w, tweede gedachtenstreepje;
artikel 2, tweede lid, met inachtneming van artikel 2, derde lid, en
artikel 3, b tot en met h, en k; met uitzondering van de in die artikelen opgenomen eisen ter zake van gehakt, stukken vlees van minder dan 100 gram en vleesbereidingen, en met dien verstande dat;
in de vorenbedoelde artikelen voor ‘vee’ gelezen wordt ‘gekweekt wild’ en voor ‘vers vlees’ gelezen wordt ‘vlees’;
in de vorenbedoelde artikelen voor een landbouwhuisdier dat wordt genoemd, of waarnaar wordt verwezen, wordt gelezen de daarmee corresponderende, niet-gedomesticeerde diersoort, die als huisdier is gehouden;
de eisen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen b tot en met f en w, tweede gedachtenstreepje;
artikel 2, tweede lid, met inachtneming van artikel 2, derde lid, en
artikel 3, b tot en met h, en k; met uitzondering van de in die artikelen opgenomen eisen ter zake van gehakt, stukken vlees van minder dan 100 gram en vleesbereidingen, en met dien verstande dat;
in de vorenbedoelde artikelen voor ‘vee’ gelezen wordt ‘gekweekt wild’ en voor ‘vers vlees’ gelezen wordt ‘vlees’;
in de vorenbedoelde artikelen voor een landbouwhuisdier dat wordt genoemd, of waarnaar wordt verwezen, wordt gelezen de daarmee corresponderende, niet-gedomesticeerde diersoort, die als huisdier is gehouden;
d. de dieren waarvan het vlees afkomstig is, op andere tijdstippen worden geslacht dan runderen, varkens, schapen en geiten;
e. ter zake van het vlees geen beperkingen gelden naar aanleiding van een veterinaire keuring;
f. voor zover het betreft vlees van gekweekte everzwijnen of van andere voor besmetting met trichinen vatbare diersoorten, dit vlees is onderzocht met behulp van een digestiemethode overeenkomstig richtlijn 77/96/EEG;
g. het niet betreft vlees dat afkomstig is van dieren die zijn besmet met trichinen, of vlees dat overeenkomstig artikel 5, eerste lid, onderdeel b tot en met k, van richtlijn 64/433/EEG voor menselijke consumptie ongeschikt moet worden verklaard;
h. het vlees is gemerkt met het keurmerk, bedoeld in hoofdstuk XI van bijlage I van richtlijn 64/433/EEG;
i. het niet betreft vlees van gekweekt wild dat is ingevoerd uit een derde land, niet zijnde Noorwegen. Dit vlees wordt gemerkt met het keurmerk, bedoeld in onderdeel j, waarin de letters ‘EEG’ zijn vervangen door: ‘GOEDGEKEURD’;
j. is voldaan aan de eisen van de artikelen 4, 5 en 6;
k. voor zover het separatorvlees van gekweekt wild betreft, het is bestemd voor een derde land.
4. Ten aanzien van de in het derde lid bedoelde afgifte van een gezondheidscertificaat zijn artikel 10, eerste en tweede lid, en artikel 12, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
5. Indien het gekweekte wild niet kan worden vervoerd zonder risico's voor de begeleiders of in verband met het welzijn van de dieren kan de Minister, in afwijking in zoverre van de voorgaande leden, toestaan dat dat wild wordt geslacht op de plaats van oorsprong, onder de volgende voorwaarden:
a. er wordt voldaan aan de eisen van het derde lid, onderdeel e;
b. de eigenaar van de dieren dient een daartoe strekkend verzoek in bij de VWA, onder opgave van het aantal dieren, de plaats en de datum waarop de dieren worden geslacht;
c. het bedrijf beschikt over een verzamelcentrum voor het gekweekte wild waar het mogelijk is een keuring vóór het slachten van de te slachten groep te verrichten;
d. het bedrijf beschikt over een passende ruimte voor het bedwelmen, het steken en het uitbloeden van de dieren;
e. het doden door steken en uitbloeden wordt voorafgegaan door verdoving, overeenkomstig de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 november 1974, nr. 74/577/EEG, betreffende de verdoving van dieren vóór het slachten (PbEG L 316); de Minister kan in bijzondere gevallen doden door middel van de kogel toestaan;
f. de gedode en uitgebloede dieren worden, onder bevredigende hygiënische omstandigheden, in hangende positie vervoerd naar een overeenkomstig artikel 9 erkend slachthuis en zulks zo spoedig mogelijk na het slachten. Wanneer het wild dat is gedood op de plaats waar het werd gekweekt, niet binnen een uur naar een overeenkomstig artikel 9 erkend slachthuis kan worden gebracht, wordt het vervoerd in een container of vervoermiddel waarin een temperatuur heerst tussen 0 °C en 4 °C. Het verwijderen van de ingewanden vindt ten laatste drie uur na het bedwelmen onderscheidenlijk na het doden door middel van de kogel plaats;
g. bij het vervoer naar het slachthuis gaan de dieren vergezeld van een verklaring van de officiële dierenarts waaruit blijkt dat de keuring voor het slachten een gunstig resultaat heeft opgeleverd, dat het leegbloeden op correcte wijze is geschied en waarin het uur waarop het slachten heeft plaatsgevonden wordt vermeld; deze verklaring stemt overeen met het model, bedoeld in bijlage III van richtlijn 91/495/EEG.